Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `spij`

  1. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  2. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  3. een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
  4. iemand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteunen)
  5. kunnen missen als kiespijn (=veel liever niet hebben)
  6. lachen als een boer met kiespijn (=lachen zonder echt blij te zijn)
  7. spijers zijn dijers (=ook baby`s die spuwen worden wel groot)
  8. spijkers met koppen slaan (=doortastend optreden)
  9. spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangrijke zaken)
  10. spijt hebben als haren op zijn hoofd (=erg veel spijt hebben)
  11. verandering van spijs doet eten (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
  12. voor elke spijker een gat weten (=voor elk probleem een oplossing weten)
  13. voor ieder gat een spijker hebben (=voor elk probleem een oplossing weten)
  14. zo hard als een spijker (=heel hard)

2 betekenissen bevatten `spij`

  1. zich de haren uit het hoofd trekken (=enorm veel spijt hebben)
  2. spijt hebben als haren op zijn hoofd (=erg veel spijt hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 39 spreekwoorden met `spij`

  1. Mestreechs: spiete, spiet höbbe, ut spit miech (=spijten, spijt hebben, het spijt mij)
  2. herenthouts: haagschool heive (=spijbelen)
  3. Waaslands: achter de weijr lopen (=spijbelen)
  4. Ursels: de schoole blèn (=spijbelen)
  5. Lokers: ij luept achter d'ougen (=hij spijbelt)
  6. Mols: spijtig (=jammer)
  7. Lutters: spiekers op leeg water zuuk'ng (=spijkers op laag water zoeken)
  8. Balens: 't is suint (='t is spijtig)
  9. Zeeuws: Achter d'aoge lôôpen (=spijbelen)
  10. Tilburgs: t-is sneuj vur um (=het is spijtig voor hem)
  11. West-Vlaams: een blauwmeske (mis) doen (=spijbelen, verborgen uitstap doen)
  12. Tilburgs: naogels meej heu maoke (=spijkers met koppen slaan)
  13. Lebbeeks: auch: achter d'auch loeëpen (=spijbelen)
  14. Genneps: Van sich af spijje (=zijn mondje danig roeren)
  15. Olens: Das zonde (=Dit wordt door mij als bijzonder spijtig ervaren.)
  16. Klemskerks: busje kapm: spijbelen, haagschool houden (=bosje kappen)
  17. Zeeuws: [jammer] weet je wat a zonde is:beuter an je had en drohen broe-ad eten (=spijtig)
  18. Lutters: hi'j sleug de spieker op de kop (=hij sloeg de spijker op de kop)
  19. Texels: het spiet hem verskrikkelijk (=het spijt hem verschrikkelijk)
  20. Oudenbosch: ij kan nog ginne spijker recht in de muur slaon (=hij is zeer onhandig)
  21. Sallands: dat begroot mi'j (=dat spijt mij)
  22. Zeeuws: ie krieg bloed voe zn arte (=spijt hebben)
  23. Westerkwartiers: dat spiet mij toe de toon'n uut (=dat spijt mij enorm)
  24. Lichtervelds: ze goan druldre van beloovn (=ze zullen er spijt van krijgen)
  25. Lichtervelds: tgoa zn koente voarn (=hij zal er nog spijt van krijgen)
  26. Twents: trouwen: ie denk daj der gold vindt ma ie vindt d'r nog gien roestigen spieker (=trouwen: je denkt dat je goud vindt, maar je vindt nog geen roesterige spijker)
  27. Munsterbilzen - Minsters: wo lengs zene mond aofhink, ès oo spijtig ! (=je hebt maar éénmaal de kans en het wil niet lukken)
  28. Westerkwartiers: ik kon mij wel veur de kop sloag'n (=daar had ik veel spijt van)
  29. Munsterbilzen - Minsters: da geet dich nog voëre (=je gaat er nog dikke spijt van krijgen)
  30. kortemarks: tzal ze koente voarn (=hij zal er nog spijt van krijgen)
  31. Bilzers: tés geen daudzin métten vroo te sloëpe, waol dërter wakker blijve lengs te ligge (=Laat nooit een kans onbenut waarvan je later spijt kan hebben)
  32. Steins: dalik haet ter 't 'eile (=Straks heeft hij spijt)
  33. Lichtervelds: tzal jn getje voarn (=je zult er spijt van krijgen)
  34. Munsterbilzen - Minsters: pak ten daog waaj ter kump (=het leven wordt één kruisweg als je spijt krijgt van gisteren en angst voor morgen)
  35. Munsterbilzen - Minsters: minslief, laef vendaog (=heb in 't leven eerder spijt van hetgeen je NIET gedaan hebt)
  36. Bilzers: datech naut bén getrauwd hét nie on mich gefraete, mér dat ze mich nauts hübbe gevroëg da kannech nie vergaete (=van niets spijt hebben is het begin van alle wijsheid)
  37. Westerkwartiers: hij spijt roar goedje (=hij slaat een gemene toon aan)
  38. Munsterbilzen - Minsters: baeter spijt hëbbe van woste waol gedon, dan van woste nie gedon hëbs (=gedane zaken nemen geen keer)
  39. Munsterbilzen - Minsters: draaj kèr pe daog, daaj twei viërege wos ich al vergaete (=je bent pas oud als spijt de plaatst inneemt van je dromen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen