Spreekwoorden met `water`

Zoek


62 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `water`

  1. als het water zakt, kraakt het ijs (=elke oorzaak heeft gevolgen)
  2. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  3. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  4. boontjes uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
  5. boven water komen / boven water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken)
  6. boven water zijn (=alles is bekend geworden of is teruggevonden)
  7. boven zijn theewater (=dronken)
  8. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  9. dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
  10. dat staat als een paal boven water (=dat is een absolute zekerheid)
  11. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  12. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico`s blijft nemen, gaat het een keer mis)
  13. de kruik gaat zolang te water tot zij barst (=alles heeft zijn beperkingen)
  14. de zee is altijd zonder water. (=hebberige mensen willen altijd meer)
  15. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  16. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  17. een kring om de zon brengt water in de ton. (=een halo rond de zon voorspelt meestal regen)
  18. een lulletje rozenwater (=een weinig dynamisch persoon)
  19. geen water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  20. geld in het water gooien (=geld verspillen)
  21. geloof nooit iemand die in de ene hand water en de andere hand vuur draagt (=wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)
  22. het aan zijn water voelen (=het instinctief aanvoelen)
  23. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  24. het is melk en water (=het is een futloze zaak)
  25. het is water en melk (=het is een futloze zaak)
  26. het kind met het badwater weggooien (=samen met het slechte ook het goede wegdoen)
  27. het warm water (her)uitvinden (=iets wat reeds lang bekend is, presenteren alsof het een originele innovatie is. (Niet verwarren met `het wiel opnieuw uitvinden`))
  28. het water is veel te diep (=hij durft het niet aan)
  29. het water komt aan/tot de lippen (=in groot gevaar, in hoge nood)
  30. het water komt op de dijk. (=de tranen komen op)
  31. het water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  32. het water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in)
  33. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  34. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  35. in het water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan)
  36. in iemands vaarwater zitten (=iemand hinderen of concurreren)
  37. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  38. in troebel water vissen (=een profiteur zijn)
  39. in zulk water vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  40. je als een vis in het water voelen (=je helemaal op je plaats voelen)
  41. je kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  42. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  43. koffen en smakken zijn waterbakken (=dat soort dingen kan veel doorstaan)
  44. leven als een vis in het water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  45. met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
  46. met het water voor de dokter komen (=zeggen wat je bedoelt)
  47. naar water snakken als een vis (=hevig verlangen naar iets)
  48. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  49. onder water zijn (=afwezig zijn)
  50. op elkaar lijken als twee druppels water (=precies op elkaar lijken)

3 betekenissen bevatten `water`

  1. een paling (snoek) gevangen hebben (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  2. een snoek vangen. (=in het water vallen)
  3. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)

50 dialectgezegden bevatten `water`

  1. 'Et regent ouwe waive mit bajonette. (=Het regent zo hard, dat het water opspat.) (Zaans)
  2. 'k hem water in mene kelder (=mijn broekspijpen zijn te kort) (Schunnebroecks)
  3. 't es za voeër gedrodj en geskeet'n (=hij lijkt op zijn vader als twee druppels water) (Ninoofs)
  4. 't es zè voier gescheiten en gespagen (=hij trekt als 2 druppels water op zijn vader) (Aalsters)
  5. 't es'tn gescheten en gespogen (=Hij lijkt er als twee druppels water op) (West-Vlaams)
  6. 't is 'em gespoogen en gescheten (=Hij lijkt als twee druppels water op...) (Melseels)
  7. 't is water en wijnd (=er zit geen voeding in) (Huizers)
  8. 't Reegent da' 't zikt:: het giet water (='t Regent dat 't zeikt) (Klemskerks)
  9. 't reigent aa muijers (=het giet water) (Geels)
  10. 't spoelt / klapt van water (=Heel hard regenen) (Westfries)
  11. 't woater in de moûr begint te zoûn (broebelen) (=het water in de ketel begint te koken) (Sint-Niklaas)
  12. 't wodder kwam toe de kroan uut (=het water kwam uit de kraan) (Westerkwartiers)
  13. 't woeët'r zojt (=het water kookt) (Meers)
  14. ' t geplets van de zwemmers int woater (=het geluid van de zwemmers in het water) (Sint-Niklaas)
  15. " vuul witter wast ok schoeane" (=smerig water gebruiker:) (Zeeuws)
  16. a eighet werm water uitgevonne (=iemand die niet erg snugger is) (Bornems)
  17. alle enties zwõmt int water (=alle eendjes zwemmen in het water) (Lutters)
  18. as ne boer nich kan zwemmen, ligt 't an 't water (=het ligt altijd aan iets anders) (Twents)
  19. As water brandt, brandt alles (=De overmacht is (te) groot) (Westfries)
  20. blisse mé waoter ôt de pitte van Rimst (=blussen met water uit de putten van Rumst) (Booms)
  21. Boem is ho en plons is water ! (=gewoon uitproberen, je ziet wel hoe het afloopt.) (Utrechts)
  22. d'r wordt veul ongegund brood eet'n (=de zon niet bij een ander in het water kunnen zien schijnen) (Westerkwartiers)
  23. da 's wiggesmeetn geld (=dat is geld in het water gooien) (Waregems)
  24. dae haet ’t water baove de kneen staon (=hij moet nodig plassen) (Heitsers)
  25. das draaj daoge raenger (=het regent blaasjes op het water) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. dat staot as 'n paole boôm d'Ao (=dat staat als een paal boven water) (Steenwijks)
  27. de gees nog zinge as me geduld opgerok (=de kruik gaat zolang te water dat ze breekt) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. de kèttël zauwt (=het water kookt) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. de kons zelfs ne vès zoelang traetëre totter aut het watter sprink (=de kan gaat zoalng te water tot ze breekt) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. de kruuk blift driev' m totdat ' er knapt (=de kruik gaat zolang te water tot ie barst) (Westerkwartiers)
  31. De zever loëpt nou al m’n móngd uit! (=Het water loopt me al in de mond!) (Huizers)
  32. de zon göt de raegen hale (=avondrood brengt water in de sloot) (Venrays)
  33. Die laat ok Viola / de viole maar zorrege (=Hij / zij laat Gods water over Gods akker lopen) (Zaans)
  34. doë kraajgste de troëne van èn zën ooge (=ik drink niet graag water) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. Douchen (=Onder het gemalen water staan) (Marine jargon (veelal Maleis))
  36. Dur komt un stoèt woater vaan bovu (=Er komt bovenstrooms zeer veel water) (Brakels (gld))
  37. e sjcheet’ in è flesche zien (=een storm in een gas water zijn) (Veurns)
  38. ee heufke water (=1 / 2 L putwater) (Heerlens)
  39. Een fraue hef zolt water uut de kettel in 'n bäkkie of pöttie edaone. (=Een vrouw heeft zout water uit de ketel in een bakje of potje gedaan.) (Sallands)
  40. Een klets water door je gezicht halen (=Gezicht wassen) (Rotterdams)
  41. Een nat zeikie. (=water in je schoenen.) (Helders)
  42. een pan' ieët woadre opzedn (=water aan de kook brengen) (Kaprijks)
  43. een scheet in een fles (=een storm in een glas water) (Wichels)
  44. eine aezel kins se waal nao ’t water leie, mer neet doon drinke (=je kunt iemand op weg helpen, maar uiteindelijk zal diegene het zelf moeten doen) (Heitsers)
  45. elke speek vant wiel komt bove (=de waarheid komt wel boven water) (Oudenbosch)
  46. en scheit in en fles (=storm in een glas water) (Aalsters)
  47. Er sta water in zoune kelder (=Zijn broek is te kort) (Mechels (BE))
  48. es eine paol boeave water staon (=als een paal boven water staan) (Wessems)
  49. Es zwoaluuwu loag ovur en bovu ut woater vliegu, komt er règun (=Als zwaluwen laag over en boven het water vliegen, komt er regen) (Brakels (gld))
  50. ët raengert bliëskës (=het regent kleine luchtbellen op het water) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen