Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


56 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `huis`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  2. alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
  3. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  4. Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
  5. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
  6. Dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=Dat is overduidelijk)
  7. dat is zo vast als een huis (=dat is zeker)
  8. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  9. een echte huismus (=iemand die het thuis naar zijn zin heeft, geen uitgaanstype)
  10. een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  11. een heilig huisje (=een herberg - een (voor de betrokkene) onaantastbare waarheid)
  12. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  13. een verdieping op zijn huis zetten (=hypotheek nemen)
  14. een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  15. elk huisje heeft z'n kruisje (=ieder gezin heeft eigen zorgen en problemen)
  16. er is geen huis met hem te houden (=hij is niet tevreden te stellen, je kan er geen land mee bezeilen)
  17. ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
  18. ergens kind aan huis zijn (=ergens graag en vaak gezien zijn)
  19. gehuisd en gehoofd zijn (=gegoede burger zijn)
  20. het huishouden van Jan Steen (=een slordige boel)
  21. het huisje bij het schuurtje houden/laten (=geen onnodige uitgaven doen)
  22. het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
  23. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  24. huishouden van Kea/Keja (=een rommelig huishouden)
  25. huisjes melken (=kleine huizen duur verhuren)
  26. ieder huisje heeft zijn kruisje (=er mankeert overal wel iets)
  27. in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
  28. in het huisje wegen (=uiterst nauwkeurig het gevraagde gewicht geven)
  29. in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
  30. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  31. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  32. Je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=Te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
  33. met de deur in huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
  34. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  35. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  36. met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
  37. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  38. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  39. niet thuis zijn van (=geen verstand hebben van - niet willen weten van)
  40. om over naar huis te schrijven (=erg bijzonder)
  41. oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
  42. steeds verder van huis raken (=verder van je doel afraken)
  43. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  44. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
  45. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  46. van huis en haard verdreven (=dakloos zijn)
  47. veel in huis hebben (=over veel capaciteiten beschikken)
  48. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  49. wel thuis kunnen blijven (=het wel kunnen vergeten)
  50. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)

37 betekenissen bevatten `huis`

  1. over de drempel komen (=aan huis komen)
  2. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  3. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  4. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  5. Een blind paard zou er geen schade doen. (=Daar in huis is letterlijk niets meer)
  6. thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
  7. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  8. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  9. huishouden van Kea/Keja (=een rommelig huishouden)
  10. een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen)
  11. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  12. zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens (=het is nergens zo goed als thuis)
  13. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  14. een echte huismus (=iemand die het thuis naar zijn zin heeft, geen uitgaanstype)
  15. als een vis op het droge (=iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort)
  16. iemand naar het peperland zenden (=iemand ver van huis sturen)
  17. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
  18. zijn penaten opzoeken (=naar huis gaan)
  19. zijn klompen wegbrengen/wegzetten (=naar huis gaan/sterven)
  20. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
  21. beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=Oost West thuis best)
  22. het paard ruikt de stal (=opschieten om gauw thuis te komen)
  23. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  24. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  25. bij moeders pappot (=thuis)
  26. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  27. Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
  28. onder de pantoffel zitten (=thuis niets te vertellen hebben)
  29. zoals het handje thuis tost, tost het nergens (=uiteindelijk gaat er niets boven het eigen huis)
  30. oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
  31. een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  32. een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
  33. zeeman geen man (=zeemannen zijn heel vaak van huis en daarom minder als echtgenoot geschikt)
  34. zich als een kat in een vreemd pakhuis voelen (=zich ergens niet thuis voelen)
  35. met de klompen op het ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
  36. zijn penaten ergens vestigen (=zich vestigen (zich ergens thuis voelen))
  37. als de ragebol rust werkt de spin (=zonder onderhoud raakt `n huis (de omgeving) snel in verval)

Het dialectenwoordenboek kent 161 spreekwoorden met `huis`

  1. Eekloos: thuis blijvers kerre (=huisarrest)
  2. Twents: Hee is zie’n hoesbreef verget’n (=hij is zijn huisbrief vergeten)
  3. Amsterdams: De huissiesmelker is een slome duikelaar (=De huisbaas is een sufferd)
  4. Bilzers: zieg mér dattet haus nie optech énvült (=je bent een echte huiskat)
  5. Boakels: d'n herd kêijere (=de huiskamer vegen)
  6. Munsterbilzen - Minsters: hae geet noë Koot Kernisj, Roendhauze en Costa Démeris (=hij is een huismis)
  7. Sint-Niklaas: oeveel verwoonde dor? (=hoeveel huishuur betaal je daar?)
  8. Tilburgs: hur höskaomer is un èèchte pötjesmèrt (=haar huiskamer is een echte rommelkamer)
  9. Helders: iemand naar huisduinen brengen (=iemand begraven)
  10. Huizers: Reejen en kleejen (=huishouden gaande houden)
  11. turnhouts: D'r zit een haar in de boter (=ruzie in het huishouden)
  12. Klings: gelijk rees peckkoek (=heel vuil huishouden hebben)
  13. Tilburgs: daor is aatij kêet in de kiet. (=in dat huishouden is altijd ruzie.)
  14. Munsterbilzen - Minsters: hae hoel aanes gene frang iëver (=de huisschilder werkte alléén maar in het zwart)
  15. Tilburgs: un höske meej un bojèmke (=huisje met een tuintje)
  16. Mechels (BE): Tis greun aat (=Ruzie in het huishouden)
  17. Antwerps: 't is gruen hout (=ze hebben ruzie in het huishouden)
  18. Westfries: huisie zonders meubels (=mooie vrouw met weing inhoud)
  19. Antwerps: ieder huiske ei z'n kruiske moar veur den iënen een loeie en veur den aandere een stroeie (=ieder huisje heeft zijn kruisje maar voor de een is het van lood en voor de andere van stro)
  20. Twents: 't Hoes is van mie, mer 't wief hef'n slöttel (=Ik ben de huiseigenaar, maar m'n vrouw heeft de sleutel)
  21. Fries: mosk (=zo naar huisje dan)
  22. Lichtervelds: in ieder kot istr etwod (=ieder huisje heeft zijn kruisje)
  23. Kinrooi: Ins örges lekker gaon aete duit veul hoeselik leid vergaete! (=Eens ergens lekker gaan eten, doet veel huiselijk leed vergeten!)
  24. Evergems: De kadde zit in dorloge. (=De kat zit in de horloge. Er is ruzie in het huishouden.)
  25. Amies: Dei tèlt zien vrouw de koffieboene veur (=Hij laat zijn echtgenote een zuinig huishouden bestieren)
  26. Steins: eder huuske haet zien kruuske (=Bij ieder huishouden is wel wat aan de hand.)
  27. Heusdens: ast meurege nie bieeteris gunich ne dendoktoer (=als het morgen niet beter gaat,ga ik naar de huisarts)
  28. Munsterbilzen - Minsters: èn wëlk kot èster naut niks on de hand (=ieder huisje heeft zijn kruisje)
  29. Ostêns: roermod (=huis)
  30. Waregems: tes spel in de menoizje, 't zit 'n oar in de bootre/beutre(in Nieuwenhove), de katte zit in d'arloeizje (=er heerst ruzie binnen het huishouden)
  31. Soasels: op 'n heanig spil he'j ok wa wil (=in een klein huisje kan het ook goed wonen zijn)
  32. Zeeuws: noaruus (=naar huis)
  33. Waanroods: te hunnest (=in hun huis)
  34. Brakels (gld): Ut Hièruhuis of ut huis Broakel (=Het Herenhuis of het huis Brakel)
  35. Mestreechs: Gaank naor dien brak tow! (=Ga naar huis!)
  36. Drents: hij giet hen huus (=Hij gaat naar huis)
  37. Luyksgestels: ut is hijt int kot (=Het is heet in huis)
  38. Hulshouts: 'Ktrek eroat (=Ik ga naar huis)
  39. Katwijks: van de poemus komme (=dronken naar huis gaan)
  40. Brugs: k zien no men kot (=ik ga naar huis)
  41. Renkums: Ik ga thuus kieke (=Ik ga naar huis)
  42. Bocholtz: ich joan noa heem (=ik ga naar huis)
  43. Sallands: 'k gao op 'n huus an (=ik ga naar huis)
  44. Zonhovens: kgaan tauwes (=ik ga naar huis)
  45. Riemsts: jawes gwö (=naar huis gaan)
  46. Westerkwartiers: hommeles ien 'e keet (=ruzie in huis)
  47. Munsterbilzen - Minsters: nimei bènne mauge (=uit huis gebannen zijn)
  48. Westerkwartiers: we goan'n op huus aan (=we gaan naar huis)
  49. Liessents: Ze het de boks an (=Ze is de baas in huis)
  50. Drents: hij giet noa huus (=hij gaat naar huis)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen