I uit

bijwoord
Uitspraak:  [œyt]

1) niet in werking, afgelopen
Voorbeelden:  `Doe jij de radio uit?`,
`Het vuur is uit.`
Antoniem:  aan
Ik heb het boek uit.  (ik heb het boek helemaal gelezen)
Punt uit!  (<commentaar waarmee je aangeeft dat je een onderwerp als afgesloten beschouwt>)

2) van je lichaam af
Voorbeeld:  `Heb jij je jas al uit?`
Antoniem:  aan

3) niet meer in de mode
Voorbeeld:  `Die muziek was een jaar geleden erg populair maar is nu helemaal uit.`
Antoniem:  in

4) in een richting naar buiten
Voorbeeld:  `voor je uit staren`
Antoniem:  in
uit eten gaan  (in een restaurant gaan eten)
de bal uit slaan  (de bal over de lijn slaan)

5) <in allerlei uitdrukkingen>
er helemaal uit zijn  (niet meer weten hoe iets was of moest)
Ik ben er uit!  (ik weet de oplossing)
er niet over uit kunnen  (heel erg verbaasd zijn)


II uit

voorzetsel
Uitspraak:  [œyt]

1) afkomstig van
Voorbeelden:  `wijn uit Frankrijk`,
`frites met mayonaise uit een puntzak`

2) naar buiten
Voorbeelden:  `Ga de kamer uit!`,
`schone lakens uit de kast halen`
Antoniem:  in

3) op grond van
Voorbeelden:  `handelen uit principe`,
`iets uit liefde doen`

4) <in verschillende uitdrukkingen>
uit wandelen gaan  (een eindje gaan wandelen)
uit drie delen bestaan  (door drie delen gevormd zijn)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan af afgedaan afgelopen afwezig bedacht beëindigd buiten door eruit gedaan geëindigd gepleegd gereed klaar met op over sedert sinds van vanaf vanaf deze plaats vanuit vanwege voltooid voor voorbij weg wegens aan (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• zo Hollands als haring met uitjes (=typisch Hollands)
• zich uit de voeten maken (=maken dat men wegkomt)
• zich uit de naad werken (=veel werken, zijn uiterste best doen)
• zich uit de naad lopen (=veel lopen , zijn uiterste best doen)
• zich uit de markt prijzen (=door eigen toedoen laten anderen diegene links liggen)
Toon alle 162 spreekwoorden die uit bevatten

Taaladvies
Kiezen tussen / uit / voor: Wat is correct: kiezen tussen, kiezen uit of kiezen voor?

6 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: vz. buiten; - (niet in) de stad, het huis; - (niet meer in) den smaak, de mode; eeuw - eeuw in, steeds, altijd door; - de hand (niet in...
  2. voorzetsel Jaar van herkomst: 870 (Claes )
  3. afgelopen, het werkt niet meer vb: het spel is uit ik ben er helemaal uit [ik weet niet meer hoe het moet] hun verkering is uit [ze hebben geen verkering meer] hij kucht ...
  4. •geeft aan van welke plaats iets komt.
  5. [Belgisch Nederlands] (als verkorting van) leeggedronken, leeg
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met uit:
uit opuit-en-te-nauit-en-ter-nauitademenuitademinguitademingenuitbaggerenuitbannenuitbarstenuitbarsten inuitbarstinguitbarstingenuitbatenuitbateruitbazuinenuitbeeldenuitbeitelenuitbenenuitbestedenuitbesteding
Toon alle woorden die beginnen met uit

Deze woorden eindigen op uit:
achterruitachteruitadem uitafgestuitafleiden uitbaat uitbagger uitbak uitbaken uitbalanceer uitban uitbarst uitbazuin uitbeeld uitbeen uitbeitel uitbeschuitbesluitbespuitbestaan uit
Toon alle woorden die eindigen op uit

Herkomst volgens etymologiebank.nl
uit (niet in, afkomstig van ; naar buiten; afgelopen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `uit`.