afgelopen

bijv.naamw.
Uitspraak:  ɑfxəlopə(n)]

direct voorafgaand
Voorbeeld:  `goede herinneringen hebben aan afgelopen weekend`
Antoniem:  komend
Synoniemen:  vorig, jongstleden

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
af afgedaan basta beëindigd gedaan geëindigd gepleegd gereed klaar over uit verleden voltooid voorbij vorig

Taaladvies
  1. Afgelopen / verleden / vorige week: Heeft afgelopen week dezelfde betekenis als verleden week of vorige week?
  2. Anderhalf jaar: (in de / het afgelopen -) Wat moet het zijn: in de afgelopen anderhalf jaar of in het afgelopen anderhalf jaar?


Intensiveringen
Uitdrukkingen die afgelopen betekenen (waarin het woord zelf niet voorkomt):
amen en uit;

2 definities op Encyclo
  1. [Politiek] voorbij, al gebeurd
  2. 1) Afgedaan 2) Basta 3) Beëindigd 4) Gebeurd 5) Gedaan 6) Geëindigd 7) Geleden 8) Genoeg 9) Gepleegd 10) Gereed 11) Jongstleden 12) Klaar 13) Naar beneden gewandeld tot...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `afgelopen` kennen.