Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `appel`

  1. appelen/knollen voor citroenen verkopen. (=oplichten, bedriegen)
  2. appels met peren vergelijken (=twee totaal verschillende dingen vergelijken)
  3. appeltje eitje. (=erg makkelijk.)
  4. daar komt een schip met zure appels. (=daar komt een stevige regenbui aan.)
  5. De aardappelen afgieten (=Een plasje doen door heren)
  6. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  7. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders (bijz. inzake karakter))
  8. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  9. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  10. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  11. de rotte appels uit de mand halen. (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen.)
  12. die appelen vaart, die appelen eet. (=datgene wat iemand zelf verkoopt eet/gebruikt die ook)
  13. Die haalt de nieuwe aardappelen niet (=Iemand die gauw zal gaan sterven)
  14. door de zure appel (heen) bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  15. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  16. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  17. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  18. Een meid en een aardappel kies je zelf (=Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken)
  19. Een mens is geen aardappel (=Iedereen heeft zo nu en dan behoefte aan ontspanning)
  20. een rotte appel in de mand maakt het gave ooft/fruit te schand. (=als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep / door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen)
  21. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand. (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  22. een schip met zure appels zijn/komen (=iemand begint bijna met huilen, het naderen van een zware bui)
  23. een twistappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/onenigheid zijn)
  24. er gezien zijn als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  25. gouden appels op zilveren schalen zijn (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  26. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  27. Het hebben over blauwe aardappelen en blauwe sokken (=Zonder het aanvankelijk beseft te hebben over verschillende zaken spreken)
  28. Hij heeft aardappelbloed (=Hij ziet er ongezond uit)
  29. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=Hij heeft al veel meegemaakt)
  30. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=hij leeft al heel erg lang)
  31. hij heeft een appeltje met hem te schillen. (=iets met iemand te bespreken hebben naar aanleiding van iets wat men die ander verwijt.)
  32. Hij is niet veel meer dan een aardappel (=Hij stelt niet erg veel voor)
  33. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  34. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))
  35. iets voor een appel en een ei verkopen (=voor een erg lage prijs verkopen)
  36. Kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek zien)
  37. liefhebben als de appel van zijn oog (=erg veel van iemand houden)
  38. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  39. Nog geen koude aardappel waard zijn (=Weinig waard zijn)
  40. op het appel ontbreken (=niet aanwezig zijn)
  41. scheepjes met zuren appelen (=wolkjes die regen of storm voorspellen)
  42. schip met zure appelen (=wolk die regen en storm voorspelt)
  43. Tussen de soep en de aardappels (=Terloops)
  44. voor een appel en een ei iets hebben gekocht/verkocht (=iets voor een veel te lage prijs hebben gekocht of verkocht)
  45. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  46. wie appelen vaart, die appelen eet. (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.)
  47. wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel. (=je moet voorzichtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar.)
  48. zich (te) sappel maken (=zich (te) druk over iets maken)
  49. Zijn aardappelen op hebben (=Niet verder meer kunnen)
  50. Zo lang aardappels poten als je mest hebt (=Met iets zo lang mogelijk doorgaan)

4 betekenissen bevatten `appel`

  1. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  2. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  3. hete bliksem (=gestoofde aardappels met appel)
  4. een eitje met iemand te pellen hebben. (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben.)

Het dialectenwoordenboek kent 36 spreekwoorden met `appel`

  1. Landens: preut (=appelkompot)
  2. Bilzers: appele v¨r sitroene verkope (=bedotten)
  3. Diesters: appele veur pijre verkoeëpe; em liggenemme (=iemand iets aansmeren)
  4. Koersels: Halven haan be appelspijs (=Halve kip met appelmoes)
  5. Westfries: Een skip met zure appele (=Donkere regenwolken)
  6. Brakels (gld): Un schip meej zure appels (=Een schip met zure appels)
  7. Sint-Niklaas: appelblaazeegroen (=een kleur waar men eigenlijk geen naam voor heeft)
  8. Weerts: dae zien eige bewaartj, bewaartj gein rotte appele (=denk aan je zelf)
  9. Sint-Niklaas: dien appel is zo voos as een roap (=die appel is droog en smakeloos)
  10. Sint-Niklaas: der zit een mjaasteek in (=wormstekige appel of peer)
  11. Venloos: Met dien knäök goej ik nog de appele van de buim (=Ik overleef jou)
  12. Hoogstraats: zjuust ze voader (=de appel valt ...)
  13. Sint-Niklaas: 'nen appel mè een mjasteek (=een appel waar een worm heeft ingezeten)
  14. Munsterbilzen - Minsters: zoeren appel ! (=zuurpruim !)
  15. Gronings: de appel vaalt nooit wied van de boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  16. Kerkraads: De eppel valle nit wied van d'r boom. (=De appels vallen niet ver van de boom.)
  17. Evergems: Ee ee't van gieën 'ond g'ïrfd (=De appel valt niet ver van de boom)
  18. Fries: krekt san lul als sien heit (=De appel valt niet ver van de boom)
  19. Gronings: de abbel vaalt nooit ver vanne boom (=de appel valt nooit ver van de boom)
  20. Munsterbilzen - Minsters: ver hübben em zen paere lotte zien (=die fruitteler was de rotte appel in de unie)
  21. Weerts: Aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de boom)
  22. Munsterbilzen - Minsters: op zenen appel krijge (=klop krijgen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: auttet zelfde hoot gesnieë (=de appel valt niet ver van de boom)
  24. Bevers: Beschete koei, beschete kallef (=De appel valt niet ver van de boom)
  25. Munsterbilzen - Minsters: dür de zoeren appel bijte (=nog even volhouden !)
  26. Bilzers: on ne paereboom konste geen appele doen wasse (=hoe ga je een kind beter opvoeden als het niet wil)
  27. Sint-Niklaas: vur nen appel en een ei (=bijna voor niets (koopje))
  28. Tilburgs: wie zenêige bewaort, bewaort ginne rotte appel (=goed voor jezelf zorgen)
  29. Bilzers: iemed op zennen appel gaeve (=iemand naar zijn voeten geven)
  30. Merenaars: vur nen appel en een au (='t is zeer goedkoop verkocht)
  31. Munsterbilzen - Minsters: de moestich mèr dër dae zoeren appel hieën bijte (=de volhouder wint)
  32. Antwerps: Een peer oep oewen appel (=Een slag op het hoofd krijgen)
  33. Antwerps: Wilde gij 'n péér oep uwen appel ? (=Wil je een klop op je gezicht ?)
  34. Luyksgestels: iemes tege z'nen appel père (=iemand een draai om zijn oren geven)
  35. Munsterbilzen - Minsters: verpatsje vür nen appel en ee (=quasi gratis van de hand doen)
  36. Drents: Elk paradies hef zien eigen slang/Elk paradies hef zien eigen zoere appel (=Overal is wel iets)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen