het lid

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [lɪt]
Verbuigingen:  leden (meerv.)

1) iemand die bij een vereniging of een andere groep mensen hoort
Voorbeelden:  `lid zijn van een voetbalclub`,
`gemeenteraadslid`

2) penis
Voorbeeld:  `het mannelijk lid`

3) paragraaf van een wetsartikel of reglement
Voorbeeld:  `artikel 10, lid 3`

4)
onder de leden hebben  (voelen dat je ziek wordt) `Ik heb griep onder de leden.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanhanger abonnee alinea deel deksel geleding gelid gewricht groepslid knoop lidmaat lul paragraaf partijganger partijlid penis piem pik roede

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
Naar de spreekwoorden

12 definities op Encyclo
  1. Met het lid wordt de penis bedoeld. Andere woorden zijn piemel, lul, pik, snikkel, enz. Het bestaat uit zwellichamen die zich bij seksuele opwinding met bloed vullen. Daa...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. (leden), elk deel van het lichaam van mensch of dier; een dergenen die een gezin of eene vereeniging zamenstellen; gedeelte van een ...
  3. Spreekwoorden: (1914) Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel (of het lid)) op den neus d.w.z. wie al te begeerig is, krijgt niets.2) ‘Dit is geno...
  4. van scharnier De bladen van een scharnier zitten goed vast aan dat wat ten opzichte van elkaar moet kunnen draaien. Dat vastmaken lukt best met wat flinke schroeven. Maar...
  5. wat kleiner is dan het totaal vb: het staat in artikel 5, lid 7 je arm uit het lid draaien [uit de kom]
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met lid:
lidgeldlidmaatlidmaatschaplidmaatschapsbijdragelidmaatschapskaartenlidmatenlidstaatlidstatenlidstenglidwoordlidwoorden

Deze woorden eindigen op lid:
bestuursliderelidfamilielidgelidjeugdlidjurylidkaderlidKamerlidstaflidpartijlidbendelidooglidpanellidpersoneelslidgemeenteraadslidraadslidvakbondslidcongreslidparlementsliddirectielid

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. lid (deksel)
  2. lid (lichaamsdeel)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `lid`.