de pik

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [pɪk]
Verbuigingen:  pik|ken (meerv.)

1) mannelijk geslachtsorgaan informeel
Synoniemen:  lul, penis
zich op zijn pik getrapt voelen  (zwaar beledigd zijn)
zijn pik achterna rennen  (altijd achter de vrouwen aan zitten)

2) jonge man met te veel branie en weinig ervaring
Voorbeeld:  `studentikoze pikkies`

3)
de pik op iemand hebben  (een hekel aan iemand hebben en hem of haar voortdurend tegenwerken)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
lid lul penis pief piem pikhouweel rancune roede

Spreekwoorden en zegswijzen
• zich op zijn pik getrapt voelen. (=zich zwaar vernederd voelen.)
• de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met pik een ander begrip versterken?
pikdonker; pikkedonker; pikzwart;

9 definities op Encyclo
  1. mannelijk geslachtsdeel vb: de jongens lieten hun pik aan elkaar zien de pik op hem hebben [hem niet mogen en altijd dwarszitten] hij is op zijn pik getrapt [voelt zich z...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. zie PEK. ~, m. het pikken van een vogel; wrok, haat; een - op [iemand] hebben.
  3. Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 houweel tot afbraak van een metselwerk.
  4. Spreekwoorden: (1914) Een (of den) pik op iemand hebben d.w.z. haat, vijandschap, afkeer jegens iemand koesteren; iemand niet mogen lijden en dit laten merken door kleine...
  5. oude naam voor pek. Zeer dikke, bijna harde, teerachtige stof, waarmee men breeuwnaden afstreek.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met pik:
pik afpik inpik meepik oppik uitpikantpikbroekenpikdonkerpikeerpikeerdepikeerdenpikeertpikerenpiketpaalpikettepiketteerpiketteerdepiketteerdenpiketteertpikeur
Toon alle woorden die beginnen met pik

Deze woorden eindigen op pik:
geilpikhospik
Toon alle woorden die eindigen op pik

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. pik (het pikken, prik; penis)
  2. pik (werktuig)
  3. pik (wrok, haat)
  4. pik = pek (teerproduct)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `pik`.