de (m)/het deksel

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [ˈdɛksəl]
Verbuigingen:  deksel|s (meerv.)

iets waarmee je iets afsluit
Voorbeelden:  `de ijzeren deksel op een put in de straat`,
`een open doos zonder deksel`,
`het deksel van een pan`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bedekking boerenhuis dekplaat dop kaasstolp kaft kap lid omslag stolp stolphuis stulpkooi

Spreekwoorden en zegswijzen
• geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
• er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op. (=ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Er is geen pot zoo scheef, of er past wel een deksel op, d.w.z. er is geen meisje zoo leelijk, of zij kan wel een man vinden. De Romeinen drukten di...
  2. losse bovenkant waarmee je iets kunt afsluiten vb: doe het deksel maar op de pan
  3. •een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken.
  4. klapluik.
  5. 1) Afsluiter 2) Afsluiting 3) Afsluiting van een kist 4) Afsluiting van een pot 5) Afsluitmiddel 6) Bedekking 7) Boerenhuis 8) Couverture 9) Deel van een fornuis 10) Deel...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met deksel:
deksels

Deze woorden eindigen op deksel:
hoofddekselkroningsdekselmangatdeksel

Herkomst volgens etymologiebank.nl
deksel (wat bedekt)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `deksel` kennen.