gaan

werkw.
Uitspraak:  [xan]
Vervoegingen:  ging (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is gegaan (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) bewegen en daardoor van plaats veranderen
Voorbeelden:  `naar huis gaan`,
`met de fiets gaan`,
`teruggaan`
Synoniemen:  zich voortbewegen, zich verplaatsen
ervandoor gaan  (weggaan, vluchten)

2) beginnen met een handeling
Voorbeelden:  `gaan slapen`,
`aan het werk gaan`,
`uit varen gaan`,
`in de politiek gaan`,
`met pensioen gaan`

3) kunnen, mogelijk zijn of passen
Voorbeelden:  `Er gaan twaalf dozen in een kist.`,
`Dat gaat niet.`

4) zich ontwikkelen, verlopen
Voorbeelden:  `Het gaat goed met de zieke.`,
`Hoe gaat het?`

5) klinken
Voorbeelden:  `De telefoon gaat.`,
`De bel gaat.`

6)
er flink tegenaan gaan  (hard werken)
ervoor gaan  (je ergens helemaal voor inzetten)
eraan gaan  (kapotgaan of omkomen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
`m smeren betreffen fietsen functioneren gebeuren heengaan kunnen lopen maken opbreken opstappen opvliegen passen stappen vertrekken weggaan zich begeven zich voortbewegen komen (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• zo gaan er twaalf in het dozijn (=dat heeft weinig waarde)
• zo gaan er geen twaalf in een dozijn (=het is iets buitengewoons)
• zo gaan er dertien in een dozijn (=dat heeft weinig waarde)
• we gaan geen ijsje eten. (=alles mislukt.)
• voor het lapje gaan (=zeer voorspoedig gaan zonder problemen)
Toon alle 83 spreekwoorden die gaan bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je gaan krachtiger uitdrukken?
door merg en been gaan; gaan als een banaan; gaan als een scheermes; gaan als een tiet; gesmeerd gaan; tot het gaatje gaan;

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [onregelmatig] (ik ging, heb of ben gegaan), zich voortbewegen, lopen; reizen, trekken; heengaan; gelukken; passen; gangbaar zijn; ...
  2. zich voortbewegen Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
  3. je verplaatsen of voortbewegen vb: we gaan naar Amsterdam ervandoor gaan [wegvluchten] uit de weg gaan [opzij stappen] hem zijn gang laten gaan [je niet met hem bemoeien]
  4. • [erga] zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af. • [auxl] vormt een onmiddelijke toekomende tijd.
  5. 1) Betreffen 2) De deur uitgaan 3) Fietsen 4) Functioneren 5) Gebeuren 6) Haalbaar zijn 7) Heengaan 8) Koersen 9) Kunnen 10) Lopen 11) Maken 12) Marcheren 13) Opbreken 14...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met gaan:
gaan metgaan omgaan overgaandegaanderijgaanderijengaandeweg

Deze woorden eindigen op gaan:
aangaanaangegaanachternagegaanachteruitgaanachteruitgegaanafgaanafgegaanbegaanbesturingsorgaanbinnengaanbinnengegaandichtgegaandoodgaandoodgegaandoorgaandoorgegaanertussenuit gaangegaangeslachtsorgaanheengaan

Herkomst volgens etymologiebank.nl
gaan (zich begeven)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `gaan` kennen.