fietsen

werkw.
Uitspraak:  ['fitsə(n)]
Vervoegingen:  fietste (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gefietst (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

rijden op een fiets
Voorbeeld:  `Van huis naar school is een kwartiertje fietsen.`
Ach wat, ga toch fietsen man!  (ga toch weg!)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
karren presteren rijden

Spreekwoorden en zegswijzen
fietsen zijn (=weg zijn, ervandoor zijn)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met fietsen een ander begrip versterken?
alsof er een engeltje over je tong fietst;

3 definities op Encyclo
  1. rijden op een fiets vb: hij fietste van Amsterdam naar Utrecht ga toch fietsen! [ga weg!; hou op!]
  2. •op een fiets rijden.
  3. 1) Buitenactiviteit 2) Hobby 3) Karren 4) Lichaamsbeweging 5) Lichaamsoefening 6) Manier van reizen 7) Pedaleren 8) Peddelen 9) Rijden 10) Rijden op de fiets 11) Sport 12...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met fietsen:
fietsendievenfietsendragerfietsenhandelfietsenhandelaarfietsenhokfietsenhokkenfietsenmakerfietsenmakersfietsenrekfietsenrekkenfietsenrekkiefietsenreparateurfietsenstallingfietsenstallingenfietsenwinkelfietsenwinkels

Deze woorden eindigen op fietsen:
bakfietsenbestelfietsenbromfietsencrossfietsendamesfietsendienstfietsenelektrofietsenherenfietsenkinderfietsenkoersfietsenligfietsenloopfietsenmotorfietsenomafietsenopoefietsenracefietsensnorfietsensportfietsentoerfietsenvoorbijfietsen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
fietsen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `fietsen` kennen.