Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


122 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gaan`

  1. aan de haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
  2. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  3. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten maken als iemand anders)
  4. achteruit gaan als een hollend paard (=snel terrein verliezen)
  5. Achteruit gaan als een hollend paard. (=Snel terrein verliezen)
  6. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  7. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  8. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)
  9. als een furie tekeergaan (=in razende woede tekeergaan)
  10. als een nachtkaars uitgaan (=in een gestaag tempo minder worden en eindigen)
  11. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  12. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  13. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  14. bij de duivel te biecht gaan (=bij de vijand om raad gaan)
  15. Bij de duivel te biecht gaan (=Geheimen onthullen aan de vijand)
  16. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  17. boven de pet gaan (=er niets van begrijpen)
  18. buiten zijn boekje gaan (=meer doen dan toegelaten)
  19. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  20. de bietenbrug opgaan (=falen, ten onder gaan, zwaar verliezen)
  21. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  22. de brede weg opgaan (=zondigen)
  23. de Breeveertien opgaan (=verkeerde dingen doen)
  24. de gaande en komende man (=iedereen die komt opdagen)
  25. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  26. de opgaande zon aanbidden (=de nieuwe leider vleien)
  27. de pijp uitgaan (=sterven)
  28. de vijl erover laten gaan (=er de scherpe kantjes van afhalen)
  29. de weg van alle vlees gaan (=sterven)
  30. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis vertrekken)
  31. door de bocht gaan (=toegeven)
  32. door de knieën gaan (=ergens met tegenzin mee akkoord gaan)
  33. door de ziel gaan (=erg pijnlijk of verdrietig zijn)
  34. door het behang gaan (=voor schut gezet worden)
  35. door het lint gaan (=door woede je emoties niet (meer) onder controle kunnen houden)
  36. door merg en been gaan (=hartverscheurend zijn)
  37. doorgaan tot het gaatje (=doorzetten tot het einde is bereikt)
  38. een lichtje opgaan bij iemand (=iets wordt duidelijk en helder)
  39. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er `n ongeluk van komt)
  40. er gaan veel makke schapen in een hok (=met inschikkelijke mensen is meer mogelijk)
  41. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  42. er is meer dan de molen in het woud omgegaan (=er is iets bijzonders gebeurd)
  43. er onderdoor gaan (=ziek worden, bankroet gaan, oververmoeid raken)
  44. er Spaans aan toe gaan (=erg wild en rumoerig aan toe gaan)
  45. er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
  46. ergens de boot mee ingaan (=iets hebben ondernomen, dat tot een totale mislukking heeft geleid)
  47. ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=ergens verschrikkelijk tegen opzien)
  48. ergens prat op gaan (=erg trots over iets zijn en er over opscheppen)
  49. gepaard gaan met (=samengaan met)
  50. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)

199 betekenissen bevatten `gaan`

  1. benen maken (=(haastig) weggaan)
  2. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  3. tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
  4. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  5. achteruit zeilen (=achteruit gaan)
  6. een zeperd halen (=afgaan)
  7. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  8. morgen gaat het beter (=als het vandaag niet zo best is gegaan...)
  9. opgestaan is plaats vergaan (=als je even wegloopt kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  10. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  11. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  12. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  13. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  14. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  15. de paal door de oven gewerkt (=bankroet gegaan)
  16. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  17. bij de duivel te biecht gaan (=bij de vijand om raad gaan)
  18. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  19. onder de mensen komen (=buitengaan , mensen ontmoeten)
  20. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  21. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  22. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  23. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  24. driemaal is scheepsrecht (=de derde keer zal je wel gaan lukken)
  25. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  26. De admiraal heeft geschoten. (=De gastheer heeft het sein gegeven te gaan eten.)
  27. de gelegenheid bij de haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  28. De beste paarden staan op stal. (=De leukste meisjes gaan niet uit)
  29. over de rooie gaan (=de perken te buiten gaan)
  30. de degens kruisen (=de strijd aangaan)
  31. het krijt ruimen (=de strijd opgeven, weggaan)
  32. op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
  33. het hoekje om gaan (=dood gaan)
  34. de kraaienmars blazen (=dood gaan)
  35. om een luchtje gaan (=dood gaan)
  36. de tol aan de natuur betalen (=dood gaan)
  37. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  38. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  39. in het zakje blazen (=een ademtest ondergaan)
  40. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en schamen))
  41. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  42. in de pen klimmen (=een brief gaan schrijven)
  43. uit de heup schieten (=een discussie ingaan met een ongenuanceerde argumentatie)
  44. uit de boot vallen (=een eigen gang gaan)
  45. vechten tegen de bierkaai (=een gevecht aangaan dat al bij voorbaat verloren is)
  46. zich in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  47. een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
  48. op je bek gaan (=een grote fout maken; afgaan)
  49. Eet vis, als er vis is. (=Een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  50. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele)

Het dialectenwoordenboek kent 496 spreekwoorden met `gaan`

  1. Tilburgs: de gaansen dag (=de hele dag)
  2. Maldegems: 't zit een zweun in de bjeten (=er is iets gaande)
  3. Roeselaars: wukkistter de (=wat is er gaande)
  4. Volendams: Dut lekt wel een gaantje (=Dit is wel een grap)
  5. Tilburgs: de gaansen wèreld (=de gehele wereld)
  6. West-Vlaams: vremd goan, ip een andre goan, scheve schatse rien, verandren van toespieze (=vreemd gaand)
  7. Zichers: gaank nou treg... (=dat meen je niet...)
  8. Vechtdals: gaank in de bokse (=door lopen/ werken)
  9. Texels: De velle foor de óge hange (=gaan slapen)
  10. Huizers: Reejen en kleejen (=Huishouden gaande houden)
  11. Bilzers: der és wir n hoër én de botter (=er is weer wat gaande !)
  12. Twents: da's de gaank mer weark (=dat duurt even)
  13. Neerharens: gaank es get graas 'kroeie' veur de knien(met de hand) (=kroeie)
  14. Sallands: gaank in de bokse (hemmn) (=rennen, op een draf lopen, snel lopen)
  15. Oudenbosch: witte gij dun breeje gaang en ok waor de smalle is ? (=weet u de weg in Oudenbosch ?)
  16. Sallands: 't Leem giet zien gaanks. (=Het is, zoals het is.)
  17. Liemers: Zwaore kleigrond is mehgaonde grond die blief ow aan de klump hange. (=Mee gaande zware kleigrond.)
  18. Vechtdals: wa doe-j toch gaanks! (=wat ben je toch bezig!)
  19. Twents: Noe hej't gaangs. (=Nu heb je het voor elkaar (cynisch))
  20. Mestreechs: gaank naor dien brak tow! (=Ga naar huis!)
  21. Sallands: met de biennewagen (=lopend gaan)
  22. Weerts: tot bezêj kome (=gaan nadenken)
  23. Moes: goan dooken doen (=gaan slapen)
  24. Arendonks: in ewwe peulder krooipeh (=gaan slapen)
  25. Gents: goan tiekene (=gaan stempelen)
  26. temse: gomme (=gaan wij)
  27. Roeselaars: tgat in zin (=weg gaan)
  28. Marine jargon (veelal Maleis): de wal op gaan (=naar huis gaan)
  29. Amsterdams: Aan de gallemieze liggen, Naar de gallemieze gaan (=Naar de klote gaan)
  30. Lebbeeks: rèzzekes: Rèzzekes afkappen (=Even gaan rusten)
  31. Twents: Onder,n droad hen vretn (=Vreemd gaan)
  32. Oldambsters: aan zied goan (=naar bed gaan)
  33. Bargoens (kamptaal): jeltebi, we skeffe pleite (=kom, we gaan)
  34. Lochristis: langst den gieregoird goin (=langs een binnenweg gaan)
  35. Zeeuws: lit jie de boern me dossen (=laat maar gaan)
  36. Rekem: op de luip goon (=lopen gaan)
  37. Zwols: op uus op an gaon (=naar huis gaan)
  38. Leeds: nor achter goan (=Naar toilet gaan)
  39. Bergs: Achter d'n gebreide n'onderbroek kruipe (=Naar bed gaan)
  40. Munsterbilzen - Minsters: onder de wol kraupe (=naar bed gaan)
  41. Arnhems: deur de deur deur, neur buute goan (=naar buiten gaan)
  42. herenthouts: mee ijw hoar goan (=naar de kapper gaan)
  43. Zichems: nau 't hasjke gaun (=naar de wc gaan)
  44. Giesbaargs: ba juul goan (=naar het toilet gaan)
  45. Bilzers: noë 't haajske gon (=naar het toilet gaan)
  46. Weerts: Oppe klaater gaon (=Er vandoor gaan)
  47. Graauws: je biezen pakken (=er vandoor gaan)
  48. Sint-Niklaas: stjeirten (=ergens langzaam naartoe gaan)
  49. Twents: goaj met brommers kieken (=gaan we vrijen)
  50. Brabants: dur eene gaon vatten (=een borrel gaan drinken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen