passen

werkw.
Uitspraak:  [ˈpɑsə(n)]
Vervoegingen:  paste (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gepast (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) de juiste maat hebben
Voorbeelden:  `Het past precies.`,
`Dit dopje past niet op deze fles.`,
`Zijn trouwpak past hem na dertig jaar nog steeds.`
Synoniem:  aansluiten

2) proberen of een kledingstuk de juiste maat heeft
Voorbeeld:  `paskamers`

3) precies het juiste bedrag betalen
Voorbeeld:  `gepast betalen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aan proberen aanpassen aanproberen afmeten aftellen afzien van behoren betamen betreffen bijpassen conveniëren deugen geld afpassen gelegen komen gepast betalen geschikt zijn horen op proef aantrekken passend zijn proberen schikken schreden staan stappen treden uitkomen voegen voetstappen

Spreekwoorden en zegswijzen
• op zijn tellen passen (=zeer goed opletten om niets fout te doen)
• met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten. (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak.)
• bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
• aan iets een mouw weten te passen (=een oplossing ergens voor weten)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Deze schoenen passen mij niet / Ik pas deze schoenen niet: Mag je zeggen Ik pas deze schoenen niet als je bedoelt dat de schoenen niet goed om de voet sluiten?

8 definities op Encyclo
  1. Passen zijn plaatsen in de bergen waarlangs men gaat om aan de andere kant van de bergen te komen. Een bekende pas is de Brennerpas.
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] ow. [gelijkvloeiend] (ik paste, heb gepast), pas maken; evenen, meten; van pas zitten of staan (van kleederen); ...
  3. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 het werk op de vereischte maat stellen.
  4. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 wanneer een getouwe gezet is, dan moet de wever nagaan of het waterpas en in zijnen haak (winkelhaak) staat. Hier...
  5. (a) Het precies naast elkaar of over elkaar liggen van de elementen van een kaart die op verschillende deelof eindoriginelen* staan, bijv. het passen van de kleurvulling ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met passen:
passen bijpassen oppassen voorpassendpassendheid

Deze woorden eindigen op passen:
aanpassenbankpassenbergpassenbetaalpassenbijpassengiropassengyrokompasseninpassenkinderoppassenkompassenoppassenpinpassentoepassenwandelpassenwaterpassenafpassen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
passen (afmeten; in orde zijn; niet meedoen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `passen` kennen.