Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


46 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pot`

  1. bij moeders pappot (=thuis)
  2. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  3. de hond in de pot vinden. (=te laat zijn voor het eten (alles is op).)
  4. de pot op kunnen (=in geen geval krijgen)
  5. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  6. De poten onder iemands stoel wegzagen (=iemands positie verzwakken)
  7. de poten onder iemands stoel wegzagen. (=iemands positie verzwakken.)
  8. De spot drijven met (=spotten, iemand belachelijk maken)
  9. de vleespotten van egypte (=een vroegere tijd van grote welvaart)
  10. een luis in iemands pels poten/zetten (=iemand last berokkenen)
  11. een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw boos)
  12. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  13. er de dood in de pot zijn (=niets te beleven zijn)
  14. er een potje van maken (=er een janboel van maken)
  15. er is geen pot zo scheef, of er past wel een deksel op. (=ook voor een minder mooi meisje is er een man te vinden)
  16. ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
  17. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  18. eten wat de kok/pot schaft (=eten wat er is (goed of slecht))
  19. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
  20. het is een pot nat. (=het is allemaal hetzelfde.)
  21. hij kan een potje bij hen breken. (=van hem wordt veel getolereerd.)
  22. hij maakt er een potje/soepie van. (=hij gaat niet ordelijk te werk.)
  23. iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
  24. in de doofpot stoppen (=langzaam laten verdwijnen, zodat er niet meer over gesproken wordt)
  25. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  26. je kunt van mij de pot op. (=je doet maar waar je zin in hebt)
  27. kleine kopjes hebben ook oren. / Kleine potjes hebben grote oren. (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  28. kleine potjes hebben grote oren. (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn.)
  29. kleine potjes hebben ook oren / Kleine potjes hebben grote oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  30. meeeten uit de grote pot van egypte (=meegenieten zonder vergoeding)
  31. men hoeft geen luizen in de pels te poten (=men moet niemand last berokkenen)
  32. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen. (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  33. naar de vleespotten van Egypte terugverlangen (=naar de goede tijden terugverlangen)
  34. niet kapot zijn van (=niet veel op hebben met)
  35. op elk potje past een dekseltje. (=bij iedereen en alles past wel iemand of iets)
  36. op hoge poten. (=zeer boos, verontwaardigd.)
  37. op ieder potje past wel een dekseltje. (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner.)
  38. op poten staan (=in een brief nergens omheen praten)
  39. op zijn achterste poten gaan staan (=zo veel mogelijk moeite doen / boos worden)
  40. terugverlangen naar de vleespotten van egypte (=naar de goede tijden terugverlangen)
  41. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis bij de ouders eten die voor je zorgen)
  42. verlangen naar de vleespotten van egypte (=terugverlangen naar de goede tijden)
  43. vijf poten aan een kalf/schaap zoeken (=iets proberen te vinden dat er niet is)
  44. zich tegoed doen aan de vleespotten. (=onterecht mee profiteren.)
  45. zo dicht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
  46. Zo lang aardappels poten als je mest hebt (=Met iets zo lang mogelijk doorgaan)

15 betekenissen bevatten `pot`

  1. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  2. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  3. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  4. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  5. te koop lopen/staan. (=er bespottelijk uitzien.)
  6. het is naar de maan. (=het is kapot.)
  7. een verdieping op zijn huis zetten (=hypotheek nemen)
  8. iemand op de hak nemen (=iemand er van tussen nemen of over iemand praten in uiting van spot)
  9. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  10. over de doden niets dan goeds. (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood.)
  11. met gouden balken (=met een hypotheek (met lening))
  12. naar de filistijnen (=reddeloos verloren / kapot)
  13. de gek met iemand steken (=spotten met iemand)
  14. De spot drijven met (=spotten, iemand belachelijk maken)
  15. naar de maan zijn (=voorbij zijn / kapot gegaan zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 90 spreekwoorden met `pot`

  1. Luyksgestels: mee 'n hoag zeil (=op hoge poten)
  2. Budels: mej ow turftraaiers (=met je grote lompe poten)
  3. Moes: zijn potatten goan afgieten (=gaan plassen)
  4. Gents: neevest de pot piessen (=naast de pot pissen)
  5. Munsterbilzen - Minsters: tès nog e kwag joenk (=het kan nog niet op eigen poten staan)
  6. Bilzers: wot de toffel drig (=wat de pot schaft)
  7. Zeeuws: je kan ter anangen (=de pot op)
  8. Brugs: Oldajzegtziejzelve (=de pot verwijt de ketel)
  9. Eindhovens: Wa èteh we vanoavon? èrpel of sloai? HEU STOEL OP VIER! (=Wat eten wij vanavond? Aardappelen of sla? Hallo, zet je stoel op vier poten!)
  10. Hamonter: shiet mich (=ge kunt mij de pot op)
  11. Geels: ge kunt men kloewete kusse (=je kan de pot op)
  12. Hulsbergs: doe kins mich de poekel afroetsje (=je kunt de pot op)
  13. Oudenbosch: mijne zak kunde opblaoze (=je kunt de pot op)
  14. Munsterbilzen - Minsters: lêk men klitse ! (=de pot op !)
  15. Sint-Niklaas: zis goe vurzien van oren è poten (=ze is goed gebouwd)
  16. Brugs: neffest de pot pissn (=vreemdgaan)
  17. tervurens: Bloost em op, kust maain ol, kus maain klute (=de pot op)
  18. Riemsts: De kins mich e' hööpke sjeête! (=Je kan de pot op!)
  19. Heerlens: leck mich im aasj (=je kunt me de pot op)
  20. Tilburgs: dès iedem dietoo van ut zèllefde (=dat is èèn pot nat)
  21. Graauws: de'n ond is over taofel (=de hond in de pot vinden)
  22. Dendermonds: da ze schaite lupt (=ze kan de pot op)
  23. Munsterbilzen - Minsters: dat ze men kloete kisse (=ze kunnen de pot op)
  24. Aspers: ze is goe veurzien van oren en poten (=vrouw met grote borsten)
  25. Achterhoeks: un peerd en un hond hinkt um de stront (=Wanneer een paard of een hond maar iets aan hun poten hebben, lopen ze mank)
  26. Waregems: slicht te pote/ te beeêne zijn (=moeizaam stappen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: vant verkeirde soët zin (=een lesbienne vragen wat de pot schaft)
  28. Lebbeeks: piss'n: Nevest de pot piss'n (=Vreemd gaan)
  29. Gents: tussen pot en pinte (=losjesweg)
  30. Sittards: 't Kump aan éin deur oet (=Het is één pot nat)
  31. Tegels: lek mich de zök (=je kunt de pot op)
  32. Kortrijks: Skit in den dik é vint (=Je kan de pot op)
  33. Roermonds: Lék mich am aarsj (=Je kunt mij de pot op)
  34. Oudenbosch: gij kunt de pot op (=je bekijkt het maar)
  35. Brugs: j' eet neevest de pot gepist (=vreemd gaan)
  36. Temse: ij goat der vendeur me zijne steirt tusse zen pote (=bang doorgaan)
  37. brabants: gu mot mee oe poten van m'n jong blijve (=je moet van mijn kind afblijven)
  38. Kortemarks: ge ku ze stoovn, ge ku ze kussn (=je kunt de pot op)
  39. Liwwadders: dou kest mie de haan naaie! (=je kunt me de pot op!)
  40. Genneps: pot wie dèkkel (=Aardje naar zijn vaartje)
  41. Zeeuws: dn ienen henees bie dezalve denaaren bie de pot (=beter worden)
  42. Lichtervelds: je droajt roend de pot (=hij draait er omheen)
  43. Kortemarks: je droajt roend de pot (=hij komt niet terzake)
  44. Westerkwartiers: hij is zo dicht as 'n pot (=hij vertelt echt niets)
  45. Liessents: ge kánt de pot op (=je kan me wat)
  46. Mechels (BE): neuffest de pot pisse (=vreemd gaan)
  47. Graauws: naast de pot pissen (=vreemd gaan)
  48. Lokers: nevest de pot piesen (=vreemd gaan (overspel))
  49. Bachten de kupes: Wiene? 't gat van e bobbiene, 't gat van ne puut, lekt den oend ze tenen uut (=kinderlol: wat? het gaatje van een klos, het achterste van een kikker, lik aan de poten van een hond)
  50. Munsterbilzen - Minsters: èn ene pot pisse (=onder één hoedje spelen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen