Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `weer`

  1. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  2. Avondrood, mooi weer aan boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  3. dat geeft de burger weer moed (=dat doet goed)
  4. de vis is de boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)
  5. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  6. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  7. het ene oor in, het andere weer uit (=het wel horen en meteen weer vergeten)
  8. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helemaal niet bevalt)
  9. het is weer aan (=ze hebben weer verkering)
  10. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  11. hondenweer (=zeer slecht weer)
  12. in het geweer (=onder de wapens / aan het werk)
  13. mooi weer spelen (=genieten (meestal van andermans goed) / mooier voordoen dan het is)
  14. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  15. schrijf het maar op je buik (dan kan je het met je hemd weer uitvegen) (=vergeet het maar)
  16. vroeg in de weer zijn (=vroeg aan het werk zijn)
  17. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  18. weer boven water komen (=weer tevoorschijn komen)
  19. weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kunnen gaan)
  20. weer of geen weer (=hoe het weer ook is, het gaat door)
  21. weer op de been zijn (=niet langer ziek zijn)
  22. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)
  23. zijn weerga niet hebben (=ongeëvenaard zijn)
  24. zo komt het kalfje weer bij zijn moer (=zo komt wat verloren was weer in orde)
  25. zo ziet men weer hoe een dubbeltje rollen kan (=zo zie je maar hoe het kan gaan)

57 betekenissen bevatten `weer`

  1. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  2. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  3. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  4. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  5. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  6. semper idem (=altijd weer hetzelfde)
  7. strijk en zet (=altijd weer opnieuw)
  8. april doet wat hij wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
  9. terug naar af (=begin maar weer opnieuw)
  10. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  11. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  12. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)
  13. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  14. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  15. voor ogen (=er steeds weer aan denken)
  16. geld verzoet de arbeid (=geld dat je krijgt maakt het harde vervelende werk weer goed)
  17. van hot naar haar (=heen en weer)
  18. weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kunnen gaan)
  19. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt teruggegrepen)
  20. onze lieve heer is aan het kegelen (=het onweert)
  21. het ene oor in, het andere weer uit (=het wel horen en meteen weer vergeten)
  22. weer of geen weer (=hoe het weer ook is, het gaat door)
  23. het kruis nageven (=hopen dat hij vooral nooit meer weerkomt)
  24. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  25. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  26. maart roert zijn staart (=in maart kan het nog stormachtig weer zijn)
  27. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  28. jantje lacht en jantje huilt (=kind dat vaak huilt maar direct ook weer lacht)
  29. Avondrood, mooi weer aan boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  30. geen zitvlees hebben (=ongedurig zijn - steeds weer opstaan en rondlopen)
  31. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  32. lopen als een muis in een meelton (=onrustig heen en weer lopen)
  33. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  34. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  35. de deur platlopen (=steeds weer bezoeken)
  36. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  37. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  38. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  39. van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
  40. zo gewonnen, zo geronnen (=wat je makkelijk hebt gewonnen, kun je ook makkelijk weer kwijt raken)
  41. gedane zaken hebben geen keer (=wat voorbij is, keert niet meer weer)
  42. weer boven water komen (=weer tevoorschijn komen)
  43. als een lam ter slachtbank geleid worden (=weerloos zijn)
  44. de kont tegen de krib gooien (=weerspannig zijn)
  45. een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil (=weerspreuk)
  46. maart heeft knepen in zijn staart (=weerspreuk)
  47. een natte mei geeft boter in de wei (=weerspreuk)
  48. in mei leggen alle vogels een ei (=weerspreuk - aanduiding dat in mei het broedseizoen begint)
  49. morgenrood, regen in de sloot (=weerspreuk : rood opkomende zon betekent vaak regen)
  50. het hoofd bieden (=weerstand bieden)

Het dialectenwoordenboek kent 312 spreekwoorden met `weer`

  1. kortemarks: jis up ze vieroen (=hij is op zijn weerhoede)
  2. Brakels: in Poarik zit'n ze weer zonder weere (=slecht weer)
  3. Texels: 't skéénstert (=het weinige licht wordt weerkaatst)
  4. Westerkwartiers: doe niet zo stuuns (=wees niet zo weerbarstig)
  5. Izegems: katjn mie katjn weern (=poets)
  6. Lichtervelds: kben weere dn uul (=ik ben weer het slachtoffer)
  7. Harelbeeks: Ie sloa doa weere 'n twadde eut zyn bott'n (=Hij verteld weer pietpraat)
  8. Westerkwartiers: hij was an 't hen en weerken (=hij liep te ijsberen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: leistere noë Lieëge Pien (=het weerbericht beluisteren)
  10. Waregems: oe woa da nui oek weere? (=hoe was dat nu ook weer?)
  11. Waregems: oe eeëttige da oek weere (=hoe heette dat ook weer)
  12. Waregems: d'r van weerekeeërn (=op je stappen terugkeren(figuurlijk))
  13. Munsterbilzen - Minsters: lieven heir, bèste wir doë ! (=kom je nu weeral bédelen!)
  14. Drents Kanoals: van loid'n noar delft en weeromme (=flink pak slaag)
  15. Mestreechs: dat is gein piep stöb weerd (=dat is niets waard)
  16. Harelbeeks: kjeire (ne) kje weere (=keer eens terug)
  17. Evergems: kmoe weeral straffe schrijv'n (=ik moet straf schrijven)
  18. Haags: Wie ut klènuh niet eert, is de mènuh niet weerd (=wie het kleine niet eert is het grote niet weerd)
  19. Kortrijks: kjèere nekjèe weere (=kom eens terug)
  20. Mestreechs: gein piep stöb weerd (=dit is niets waard)
  21. Westfries: 'T doodskoppe niet weerd (=Waardeloos persoon)
  22. Brugs: moe je weere den diksten èn (=gelijk willen hebben)
  23. Lochristis: é es gieen fluide weerd (=hij is niet veel waard)
  24. Twents: ist ankieken wa weerd (=heeft een mooi uiterlijk)
  25. Waregems: de poaskloogg'n zijn weere (=de paasklokken zijn terug (van Rome))
  26. Westerkwartiers: ze kwamm'n met hang'de poodjes weerom (=ze kwamen terneergeslagen terug)
  27. Zwols: een goed peerd is aver weerd (=een goede kracht is nooit te duur)
  28. Westerkwartiers: de weerde van 't huus is steeg'n (=de waarde van het huis is gestegen)
  29. kortemarks: ketje mie ketje weere (=loontje komt om zijn boontje)
  30. Westerkwartiers: de eerste klap is 'n doalder weerd (=de eerste zet is de beste)
  31. Harelbeeks: Mee nen domm'n deure goan en mee ne slimm'n weere kiër'n (=Al doende leert men)
  32. Brakels: de diene za nie mir moet'n weerekirren (=iemand die het er zich tijdens zijn leven van neemt)
  33. Waregems: Keeërnekeeë weere! (=neem eens het vorige PC-scherm terug aub)
  34. Westerkwartiers: de kool is 't sop niet weerd (=de opbrengst is niet de moeite waard)
  35. Gents: smaat er en bruut noartoe en t'kom gesneeje weere (=iemand met een spits gezicht)
  36. Waregems: katzje mij, katzje weere (=plaag je mij, dan bied ik weerwerk)
  37. Overijses: vroem is / ne ki (=weer eens)
  38. Sint-Niklaas: de pompbak is weer verstropt (=de pompbak is weer verstopt)
  39. Ostêns: kerremesse in d'elle (=wisselvallig weer)
  40. Westerkwartiers: wel 't kleine niet eert is 't grode niet weerd (=wie het kleine veracht kan het grote ook niet aan)
  41. Zeeuws: t is hie-en weer (=slecht weer)
  42. Barghs: Wi-j dòen ut weer (=we doen het weer)
  43. Sinnekloases en niekaarks: bruin weer (=bewokt weer)
  44. Westerkwartiers: weer op de kluut'n komm'n (=er weer bovenop komen)
  45. Westerkwartiers: 't is ja gien weer geliek (=het is bijzonder slecht weer)
  46. Westerkwartiers: 't is weer 'n loadertje word'n (=het is weer laat geworden)
  47. Sint-Niklaas: 't is laf weer (=het is zwoel weer)
  48. Fries: Wa ut petsje net skeerd is ut slikje net weerd (=Wie de muts niet scheert is het likken niet waard)
  49. Vechtdals: kom oons is weer nao (=kom weer eens langs)
  50. Tilburgs: t-is zo mar wir ongestaojeg weer (=het is zo maar weer onbestendig weer)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen