18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kleine`
- beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
- bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
- bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
- de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
- de groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=de machtige lui leven op kosten van de gewone man)
- een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
- er een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
- geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
- groot bal op kleine aardappelen (=boven zijn stand leven)
- iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
- kleine houwen vellen grote eiken. (=met veel kleine beetjes kun je veel bereiken)
- kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
- kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
- kleine potjes lopen gauw over. (=kleingeestige mensen zijn snel kwaad.)
- kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
- met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
- uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
- wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)
31 betekenissen bevatten `kleine`
- wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
- vasthouden aan een strootje (=blijven hopen op een kleine kans.)
- dat is een alikruik van een vent. (=dat is een kleine dikke man.)
- dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
- een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
- een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
- een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
- geen centje pijn. (=een kleine moeite.)
- te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
- een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
- er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
- uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
- in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
- kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
- kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
- huisjes melken (=kleine huizen duur verhuren)
- beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
- kleine houwen vellen grote eiken. (=met veel kleine beetjes kun je veel bereiken)
- alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
- halfjes en motregen dringen door. (=ook van kleine beetjes wordt je dronken)
- zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
- bederf geen pannenkoek om een ei (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
- met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
- klein gewin brengt rijkdom in. (=van kleine beetjes komt ook welvaart)
- het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
- vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
- de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
- iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
- ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
- op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)
50 dialectgezegden bevatten `kleine`
- 'n beedje paaz'n en meet'n (=woekeren met de kleine ruimte) (Westerkwartiers)
- 'n klein vlamke, 'n groot vuur (=kleine oorzaak, groot gevolg) (Westerkwartiers)
- 't benn'n de kleine dinkjes die 't em doen (='t zijn de kleine dingen die 't em doen) (Westerkwartiers)
- 't es ne kleine van... (=hij is zoon van...) (Ninoofs)
- 't is mer 'n ertje op e plenkske (=een vrouw met kleine borsten) (Weerts)
- 't is mor een vloûg (=het is maar een kleine regen) (Sint-Niklaas)
- 't kriezelt in me moend (=ik proef kleine stukjes) (Veurns)
- ' n treutsen overschot (=een kleine rest) (Overmeers)
- aa pette emme (=een woedeaanval bij kleine kinderen) (Kortenbergs)
- Ale lutje beetjes helpm, zee mugge en meeg in zee. (=Alle kleine beetjes helpen.) (Gronings)
- alle beetjes help'n zee 't wicht, en plaste ien zee (=alle kleine beetjes helpen) (Westerkwartiers)
- As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen) (Lokers)
- aut te kleen zin (=geen kleine kinderen meer hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- baeter ën snieë mèt sjroep, dan heilegans geen snieë (=wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd) (Munsterbilzen - Minsters)
- baeter kleine boor as groeëte knecht (=onafhankelijk zijn) (Weerts)
- baeter ne kleene dae steegert èn plak van ne graute dae weegert (=beter een kleine plezante dan een grote ambetante) (Munsterbilzen - Minsters)
- d'n eine schaertj 't schaop, d'n angere 't vêrke (=de een maakt grote, de ander maakt kleine winst) (Weerts)
- Dà klàn jong méé da groate hoad (=Dat kleine kind met dat grote hoofd) (Werkendams)
- da mèr ë slap beiske (=dat is maar een kleine verdienste) (Munsterbilzen - Minsters)
- da stekte in nen hollen taand (=Een kleine portie te eten krijgen) (Turnhouts)
- da wet meine kleine teen (=dat weet het kleinste kind) (Nijlens)
- da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.) (Hulsters (NL))
- da's nog en snòtsnaat (S*) (=een kleine persoon) (Sintrùins)
- daaj ès zoe plat assën vaajg (=zij heeft kleine borsten) (Munsterbilzen - Minsters)
- daaj hèt hër loetse wier (=zij heeft haar kleine (kwade) kantjes weer) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae héttet lich aut (=de kleine is moe) (Bilzers)
- daor mot ne kleine komme (=daar wordt gezinsuitbreiding verwacht) (Oudenbosch)
- dat hèt ë kleen kenske zaag frenske (=dat heeft een kleine slaagkans) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat kan mëne braune nie trèkke (=dat is te duur voor mijne kleine portemonnee) (Munsterbilzen - Minsters)
- de aerpele aafsjödde (=een kleine boodschap doen) (Roermonds)
- de brieëmëlë zin vër de vieëgël (=het overschot is voor de kleine man) (Munsterbilzen - Minsters)
- de graute aete de kleen (=als kleine zelfstandige kan je niet op tegen de groten) (Bilzers)
- de katte zit up d'horloge (=Er is ruzie (in het huishouden - kleine familiale twist)) (Izegems)
- de kleene kos zen koeter nimei oëpehaage (=de kleine was dood moe) (Munsterbilzen - Minsters)
- de kleine ee nuwe klirkes (=de baby heeft nieuwe kleertjes) (Oudenbosch)
- die's gemaak van kleinmènnekeszaad (=wat een kleine man / vrouw) (Arnhems)
- Dieje klaane ei dikkes 't Pèttenin (=Die kleine jongen is vaak humeurig) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- diejis allang alwir uit de kleine manne (=de middelbare leeftijd naderend) (Oudenbosch)
- doë hoeste zen K. nog nie vër op te lichte (=dat is een kleine moeite) (Munsterbilzen - Minsters)
- E groet bakkes me e klaain etteke (=Eenn grote mond met een kleine hartje) (Dilbeeks)
- e krieëmëlke ès ook braut (=wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd) (Munsterbilzen - Minsters)
- ë spier stroj ès mès en ën sent ès viël geld (=wie het kleine niet eert...zal nooit rijk worden) (Munsterbilzen - Minsters)
- e zwak bisjke (=een kleine verdienste) (tervurens)
- edere cent sómtj zich, zag Persies (=ook op kleine beetjes ontvang je rente) (Heitsers)
- een ant grutter danne verk' n (=heel kleine persoon) (Brakels)
- een blinkvoer een stink (=een kleine opklaring voor een regenbui) (Wierings)
- Een garrend hep ook oogies (=kleine potjes hebben grote oren) (Katwijks)
- een hofke van ne vesschoeët groeët (=een kleine tuin) (winksels)
- Een muizefluitse (=Een kleine piemel) (Gavers)
- een prakkie van een zieke kip (=jeetje wat een kleine portie) (Westfries)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen