Spreekwoorden met `kleine`

Zoek

18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kleine`

  1. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  2. bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  3. bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  4. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  5. de groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=de machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  6. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  7. er een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
  8. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  9. groot bal op kleine aardappelen (=boven zijn stand leven)
  10. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  11. kleine houwen vellen grote eiken. (=met veel kleine beetjes kun je veel bereiken)
  12. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  13. kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  14. kleine potjes lopen gauw over. (=kleingeestige mensen zijn snel kwaad.)
  15. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  16. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  17. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  18. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)

31 betekenissen bevatten `kleine`

  1. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  2. vasthouden aan een strootje (=blijven hopen op een kleine kans.)
  3. dat is een alikruik van een vent. (=dat is een kleine dikke man.)
  4. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  5. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  6. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  7. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  8. geen centje pijn. (=een kleine moeite.)
  9. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
  10. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  11. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  12. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  13. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  14. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  15. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  16. huisjes melken (=kleine huizen duur verhuren)
  17. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  18. kleine houwen vellen grote eiken. (=met veel kleine beetjes kun je veel bereiken)
  19. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  20. halfjes en motregen dringen door. (=ook van kleine beetjes wordt je dronken)
  21. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
  22. bederf geen pannenkoek om een ei (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
  23. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  24. klein gewin brengt rijkdom in. (=van kleine beetjes komt ook welvaart)
  25. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  26. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  27. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  28. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  29. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  30. ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
  31. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)

50 dialectgezegden bevatten `kleine`

  1. 'n beedje paaz'n en meet'n (=woekeren met de kleine ruimte) (Westerkwartiers)
  2. 'n klein vlamke, 'n groot vuur (=kleine oorzaak, groot gevolg) (Westerkwartiers)
  3. 't benn'n de kleine dinkjes die 't em doen (='t zijn de kleine dingen die 't em doen) (Westerkwartiers)
  4. 't es ne kleine van... (=hij is zoon van...) (Ninoofs)
  5. 't is mer 'n ertje op e plenkske (=een vrouw met kleine borsten) (Weerts)
  6. 't is mor een vloûg (=het is maar een kleine regen) (Sint-Niklaas)
  7. 't kriezelt in me moend (=ik proef kleine stukjes) (Veurns)
  8. ' n treutsen overschot (=een kleine rest) (Overmeers)
  9. aa pette emme (=een woedeaanval bij kleine kinderen) (Kortenbergs)
  10. Ale lutje beetjes helpm, zee mugge en meeg in zee. (=Alle kleine beetjes helpen.) (Gronings)
  11. alle beetjes help'n zee 't wicht, en plaste ien zee (=alle kleine beetjes helpen) (Westerkwartiers)
  12. As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen) (Lokers)
  13. aut te kleen zin (=geen kleine kinderen meer hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. baeter ën snieë mèt sjroep, dan heilegans geen snieë (=wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. baeter kleine boor as groeëte knecht (=onafhankelijk zijn) (Weerts)
  16. baeter ne kleene dae steegert èn plak van ne graute dae weegert (=beter een kleine plezante dan een grote ambetante) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. d'n eine schaertj 't schaop, d'n angere 't vêrke (=de een maakt grote, de ander maakt kleine winst) (Weerts)
  18. Dà klàn jong méé da groate hoad (=Dat kleine kind met dat grote hoofd) (Werkendams)
  19. da mèr ë slap beiske (=dat is maar een kleine verdienste) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. da stekte in nen hollen taand (=Een kleine portie te eten krijgen) (Turnhouts)
  21. da wet meine kleine teen (=dat weet het kleinste kind) (Nijlens)
  22. da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.) (Hulsters (NL))
  23. da's nog en snòtsnaat (S*) (=een kleine persoon) (Sintrùins)
  24. daaj ès zoe plat assën vaajg (=zij heeft kleine borsten) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. daaj hèt hër loetse wier (=zij heeft haar kleine (kwade) kantjes weer) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. dae héttet lich aut (=de kleine is moe) (Bilzers)
  27. daor mot ne kleine komme (=daar wordt gezinsuitbreiding verwacht) (Oudenbosch)
  28. dat hèt ë kleen kenske zaag frenske (=dat heeft een kleine slaagkans) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. dat kan mëne braune nie trèkke (=dat is te duur voor mijne kleine portemonnee) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. de aerpele aafsjödde (=een kleine boodschap doen) (Roermonds)
  31. de brieëmëlë zin vër de vieëgël (=het overschot is voor de kleine man) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. de graute aete de kleen (=als kleine zelfstandige kan je niet op tegen de groten) (Bilzers)
  33. de katte zit up d'horloge (=Er is ruzie (in het huishouden - kleine familiale twist)) (Izegems)
  34. de kleene kos zen koeter nimei oëpehaage (=de kleine was dood moe) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. de kleine ee nuwe klirkes (=de baby heeft nieuwe kleertjes) (Oudenbosch)
  36. die's gemaak van kleinmènnekeszaad (=wat een kleine man / vrouw) (Arnhems)
  37. Dieje klaane ei dikkes 't Pèttenin (=Die kleine jongen is vaak humeurig) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  38. diejis allang alwir uit de kleine manne (=de middelbare leeftijd naderend) (Oudenbosch)
  39. doë hoeste zen K. nog nie vër op te lichte (=dat is een kleine moeite) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. e krieëmëlke ès ook braut (=wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. ë spier stroj ès mès en ën sent ès viël geld (=wie het kleine niet eert...zal nooit rijk worden) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. e zwak bisjke (=een kleine verdienste) (tervurens)
  43. edere cent sómtj zich, zag Persies (=ook op kleine beetjes ontvang je rente) (Heitsers)
  44. een ant grutter danne verk' n (=heel kleine persoon) (Brakels)
  45. een blinkvoer een stink (=een kleine opklaring voor een regenbui) (Wierings)
  46. Een garrend hep ook oogies (=kleine potjes hebben grote oren) (Katwijks)
  47. een hofke van ne vesschoeët groeët (=een kleine tuin) (winksels)
  48. Een muizefluitse (=Een kleine piemel) (Gavers)
  49. een prakkie van een zieke kip (=jeetje wat een kleine portie) (Westfries)
  50. een sent ès geld en e spier stroj ès mès (=ook kleine dingen kunnen belangrijk zijn) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen