Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kleine`

  1. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  2. Bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  3. Bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  4. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  5. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  6. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  7. ergens een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
  8. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  9. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  10. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  11. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  12. kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  13. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  14. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  15. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  16. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  17. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)

22 betekenissen bevatten `kleine`

  1. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  2. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  3. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  4. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  5. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  6. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
  7. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  8. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  9. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  10. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  11. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  12. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  13. huisjes melken (=kleine huizen duur verhuren)
  14. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  15. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  16. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  17. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  18. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  19. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  20. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  21. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  22. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)

Het dialectenwoordenboek kent 69 spreekwoorden met `kleine`

  1. Sint-Niklaas: kleineren (=iemand vernederen)
  2. Zeeuws: langs bin'n deu (=alternatieve route (via kleinere wegen))
  3. Overijses: lierke (=kleine ladder)
  4. Bilzers: dae héttet lich aut (=de kleine is moe)
  5. Antwerps: ne keurte geblokte (=kleine stevige man)
  6. Ninoofs: kop en gat (=een kleine persoon)
  7. Sinttruins: das nog een snotsnaat (=een kleine persoon)
  8. Overmeers: 'n treutsen overschot (=een kleine rest)
  9. Kortenbergs: aa pette emme (=een woedeaanval bij kleine kinderen)
  10. Aalters: klène johns (=kleine kinderen)
  11. Brakels: een ant grutter danne verk'n (=heel kleine persoon)
  12. Tilburgs: ieder pruufke hee un smokske (=ook kleine hapjes zijn lekker)
  13. Sittards: Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen)
  14. Oudenbosch: nee edde en jao kunde krijge (=er is altijd een kleine kans)
  15. Westerkwartiers: 'n klein vlamke, 'n groot vuur (=kleine oorzaak, groot gevolg)
  16. kortemarks: tis ne kap van mn ieln (=het is een kleine moeite)
  17. Bilzers: ze zitte nog én de kleen manne (=ze hebben nog kleine kinderen)
  18. drents: wie 't kleine niet èert is't grote niet wèerd. (=Wie het kleine niet eert is het grote niet waard.)
  19. Texels: eerst gròòte mense, dan hangòòre (=kleine kinderen moeten op hun beurt wachten)
  20. Munsterbilzen - Minsters: kender traeë op ze kleed, mér graute op zen hat (=kleine kinderen, klein maar groten groot leed)
  21. Bilzers: Manne blijve toch altijd kénder, mér hun spiëlgoed wiëd almër dierder... (=Mannen zijn als kleine kinderen)
  22. Sint-Niklaas: iemand mè muizenoorkes (=iemand met kleine oren)
  23. Antwerps: nen oempestoemper (=kleine gedrongen persoon)
  24. Lokers: As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen)
  25. Westerkwartiers: 't benn'n de kleine dinkjes die 't em doen (='t zijn de kleine dingen die 't em doen)
  26. Ransts: klaan pottekes hemmen ok oëren (=als er kleine kinderen mee aan t' luisteren zijn)
  27. Heels: èt trumptj (=kleine klok wordt geluid om aan te geven dat de mis over .... minuten gaat beginnen.)
  28. Sallands: Wie 't kleene nie eert is 't groten nie weerd. (=Wie het kleine niet eert is het grote niet waard.)
  29. Steins: Get veur in einen haolen tentj (=een kleine hoeveelheid eten)
  30. Westels: et reigert klaan gaaten (kleine geiten) (=het regent pijpenstelen)
  31. Oudenbosch: zij krijgt ne kleine (=zij is in verwachting)
  32. Wierings: een blinkvoer een stink (=een kleine opklaring voor een regenbui)
  33. Arnhems: die's gemaak van kleinmènnekeszaad (=wat een kleine man/vrouw)
  34. Tilburgs: hè de gin klèndere (=heb je ze niet kleiner)
  35. Lokers: Gruuete stelen en kleine stelen, moaur de gruuete stelen tmieest (=Groten stelen en kleinen stelen, maar de groten stelen het meest)
  36. Sint-Niklaas: eur tetten angen op euren rug; zee twee punijzen (=een vrouw met zeer kleine of bijna geen borsten)
  37. Tilburgs: klèèn kènder slaope derèège grôot èn aaw meense slaope derèège dôod. (=voor kleine kinderen is veel slapen gezond, voor oudere mensen is het een veeg teken.)
  38. Haags: Wie ut klènuh niet eert, is de mènuh niet weerd (=wie het kleine niet eert is het grote niet weerd)
  39. Haags: Wie de poes nie scheert, is dâh beurt nie weert (=Wie het kleine niet eert, is het grote niet weert)
  40. Oudenbosch: diejis allang alwir uit de kleine manne (=de middelbare leeftijd naderend)
  41. Oudenbosch: ij zit nog in de kleine manne (=zijn kinderen zijn nog jong)
  42. Westerkwartiers: wel 't kleine niet eert is 't grode niet weerd (=wie het kleine veracht kan het grote ook niet aan)
  43. Sint-Niklaas: ne frangen alf (=een grote man en een kleine vrouw (= gestalte))
  44. Hulsters (NL): da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.)
  45. Oudenbosch: daor mot ne kleine komme (=daar wordt gezinsuitbreiding verwacht)
  46. Ninoofs: 't es ne kleine van... (=hij is zoon van...)
  47. Brabants: ze wou ne kleine (=ze wou moeder worden)
  48. Erps: zhé ne kleine gekocht (=ze is bevallen)
  49. Nijlens: da wet meine kleine teen (=dat weet het kleinste kind)
  50. Oudenbosch: de kleine ee nuwe klirkes (=de baby heeft nieuwe kleertjes)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen