Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `blauw`

  1. bekend staan als de bonte hond met de blauwe staart (=berucht)
  2. een blauwe boon (=een kogel)
  3. een blauwe maandag (=erg kort)
  4. een blauwe scheen lopen (=afgewezen worden)
  5. een blauwtje lopen (=afgewezen worden (in de liefde))
  6. Het hebben over blauwe aardappelen en blauwe sokken (=Zonder het aanvankelijk beseft te hebben over verschillende zaken spreken)
  7. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  8. iets blauw blauw laten (=iets maar laten voor wat het is, er niet meer over praten)
  9. onder de blauwe/blote hemel (=in open lucht)
  10. vliegt de blauwvoet storm op zee (=leuze van de Vlaamse nationalisten (ontleend aan Conscience))
  11. Zij hangt haar man de blauwe huik om (=Zij bedriegt haar man)

Eén betekenis bevat `blauw`

  1. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)

Het dialectenwoordenboek kent 38 spreekwoorden met `blauw`

  1. Heldens: die hèht de proeme te hoeëg hange (=een blauwtje lopen)
  2. Ninoofs: Op nen bek de gaas leupen (=Een blauwtje lopen)
  3. Mestreechs: diech un plaat tikke (=een blauwtje lopen)
  4. Veurns: Loat'n 't is, besten ol (=Het blauwblauw laten is nog het berste)
  5. West-Vlaams: een blauwmeske (mis) doen (=spijbelen, verborgen uitstap doen)
  6. Spakenburgs: onzin (=de blauwen worden dit jaar geen kampioen)
  7. Liwwadders: blauwbekke (=heel erg koud hebben)
  8. Harelbeeks: de luh è(s) blow (=de hemel is blauw)
  9. Mestreechs: heer kraog ut sjuifke,\r\ntege un voes aon laope,\r\nheer heet ziech un plaat getik,\r\nheer heet ziech gekloet, (=hij liep een blauwtje)
  10. Nieuwerkerks: graat en blaat geslegen (=grauw en blauw geslagen)
  11. Bilzers: op ne vieze kèr (=op een blauwe maandag)
  12. Sint-Niklaas: blausie- blautsjieoog (=blauw oog (van vechtpartij))
  13. Westerkwartiers: ik ken niet heksen en blauwvaarm (=ik kan maar een ding tegelijk hoor)
  14. Sint-Niklaas: bla sie (=blauw oog (van vechtpartij))
  15. Munsterbilzen - Minsters: alle kleire van de raengerboëg (=bont en blauw)
  16. Rotterdams: die maggie houwe- of blijf af met je klauwen (=blauwe)
  17. Waregems: ie betoald hem blauw (=hij betaalt boven zijn kunnen)
  18. Epers: de blauwe stoepe opgoan (=trouwen)
  19. Sint-Niklaas: een blaa sie (=een blauw oog (= door vechtpartij))
  20. Olens: Ha hee een blaa ket (=Hij heeft een blauw oog opgelopen)
  21. gronings: tis hier oardig snoeks (=blauw staan van de rook)
  22. Rotterdams: delfs blauwe benen krijgen (=wachten)
  23. Spakenburgs: dongders ârruge waarheid mingsen (=de blauwe worden dit jaar kampioen)
  24. Liedekerks: E lept do me een kej azoe blaat as en skojle (=Hij heeft een blauw oog)
  25. Kaatsheuvels: des un blaauw plek, dè vuult voois oan (=dat is een blauwe plek, dat voelt gekneusd aan)
  26. Rotterdams: Hij was zo blauw as een aap,\r\nHij zat flink in de olie,\r\nHij had een snee in zijn neus,\r\nHij was kachel (=Hij was dronken)
  27. Zaans: Je kenne weer een broek knippe (=Er komt weer wat blauw in de lucht)
  28. Merenaars: zu blaut as een skolje (=zo blauw als een schalie (van de kou))
  29. Venloos: Zoe blauw wie ein tientje (=Dronken zijn)
  30. Bilzers: At Aspei ze lêmpke autgeet, zit Aspei èn den doenkele (=Als de hemel valt, hebben we allemaal een blauwe muts)
  31. Munsterbilzen - Minsters: ne klopinkel zoe bloo asne lap (=blauwe enkel door het tegen mekaar kloppen van de enkels)
  32. Roermonds: Ich toek dich dalijk un naas wie ein pliesiepet, neet zo groot, waal zo blauw! (=Ik ga je slaan)
  33. Ossies: ik ha menne groete tien gestoeten aon de toffelpoet, nou is ie olling blaauw. (=Ik heb mijn teen gestoten aan de tafelpoot, nu is ie helemaal blauw. ( gaat om de klank, alleen echte Ossenaren kunnen dit goed uitspreken.))
  34. Ransts: das zeker ne vertegenwoordiger van de blauw Hand(azijnfabriek) (=iemand die zeer stuurs kijkt)
  35. Flakkees: 'T was mar un blauwe maendag (=Als iemand ergens kort lid/bij is geweest)
  36. Utrechts: 't gebuk krijge/de duvel voor ze nuwe jaor krijge/ze hebbe-n-'m twee blauwe lampe geslaoge (=slaag krijgen, 'n flink pak)
  37. Lopiks: Daar hek ook nog een blauwe maondag mee gelopen (=daar heb ik ook nog even verkering mee gehad)
  38. Liemers: Da`s gin kuns um zovöl blagen bi-j drie wief te kriege,\r\nmo'j 's prebiere bij één zonder die blauwe snuupkes van now. (=Vaders tegen elkaar)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen