Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `moed`

  1. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  2. bij moeders pappot (=thuis)
  3. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  4. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  5. dat geeft de burger weer moed (=dat doet goed)
  6. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte leidt tot uitputting)
  7. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  8. hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  9. iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  10. met de moedermelk ingezogen hebben (=van jongs af zo geleerd hebben)
  11. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  12. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  13. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  14. wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)
  15. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)

25 betekenissen bevatten `moed`

  1. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  2. mal moertje mal kindje (=als de moeder te veel toegeeft zal het kind niet deugen)
  3. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  4. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  5. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
  6. de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
  7. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  8. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
  9. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  10. een ridder zonder vrees of blaam (=een moedig mens)
  11. een hoge borst opzetten (=eigenwijs en hoogmoedig zijn)
  12. lont ruiken (=ergens het vermoeden toe hebben / het gevaar tijdig aanvoelen)
  13. heb het hart eens (=heb de moed om dat te doen. (Eigenlijk: als je dat doet, zal ik je ongenadig straffen))
  14. de keel kost veel (=herhaalde dronkenschap leidt tot armoede)
  15. het hart zinkt hem in de schoenen (=hij verliest alle moed)
  16. men zou hem een aalmoes geven (=hij ziet er armoedig uit)
  17. hoe hoger het hart, hoe lager de ziel (uit het Fries) (=hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
  18. kop op! (=houd moed!)
  19. hoogmoed komt voor de val (=iemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende)
  20. iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
  21. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  22. in de laagte zijn (=in armoedige toestand verkeren)
  23. niet voor een gat te vangen (=niet door één moeilijkheid te ontmoedigen)
  24. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  25. zwaar op de hand zijn (=zeer ernstig/zwaarmoedig van karakter zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 97 spreekwoorden met `moed`

  1. Bilzers: de mismoêd hèbbe (=moedeloos zijn)
  2. Veurns: lokketette doen (=De moederborst krijgen)
  3. Genneps: Hij zit bij moet op de slup (=moederkindje)
  4. helmonds: Allie moeder hengt nie an oew krois (=moeders kindje)
  5. Brakels: ij èngt nog oan zij moejers rok'n (=hij blijft een moederskind)
  6. Genneps: kieke alsof hij ziene lètste keutel geschéte hèt (=Verloren, en moedeloos zijn)
  7. Waregems: ellee couroaizje! (=houd moed!)
  8. Sint-Niklaas: moederkeszalf (=een klein kind met speeksel van moeder inwrijven)
  9. Ninoofs: ge moedj a piet'n (=je moet correct spelen)
  10. Flakkees: Un superpertje doewe bie moeders (=Bij je moeder een avondmaaltje eten)
  11. Westerkwartiers: de moed zakt heur ien 'e schoen'n (=zij laat de moed zakken)
  12. Denderleeuws: corrogge onder de sosje (=moed hebben)
  13. Ninoofs: Veel korrozje onder de sozje! (=Veel moed!)
  14. Hulshouts: Mojenoks en berrevits dé de bemme schesse up schiëve schoverdane (=moedernaakt en blootvoets door de beemden lopen op schuine schaatsen)
  15. Oudenbosch: daor is gin moederke lieve aon te doen (=daar helpt niets tegen)
  16. Hillegem: Asge moet kaken moede kaken (=iets wat dringend is moet je doen)
  17. Steenwijks: de lippe laoten 'angen (=de moed opgeven)
  18. Bilzers: téssem én zen sjoën gezak (=de moed verliezen)
  19. Westerkwartiers: hol de kop d'r veur !! (=houd moed !!)
  20. Neerpelts: mè door (=laat de moed niet zakken)
  21. Gronings: kop d'r veur holl'n (=moed houden)
  22. Zottegems: Go nor uis, manneken, ou moedre ee siepers gebakken op de koolschuppe (=Ga naar huis jongen uw moeder heeft pannekoeken gebakken op de kolenschop)
  23. Bilzers: tlotte hange (=de moed opgeven)
  24. Bilzers: de mismoêd èn krijge; 't lotte hange (=de moed verliezen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: de kop (erm) lotte hange (boemele) (=de moed verliezen)
  26. Oudenbosch: hij zit daor ok mar moederziel aleene (=hij woont erg afgelegen)
  27. Opglabbeeks: ich kos ieder bieke es lache (=de moed bijna opgeven)
  28. Gents: veur em schept God den dag en moed'r schept de soepe (=iemand die simpel is van geest)
  29. Westerkwartiers: zij let de oorn hang'n (=zij heeft de moed verloren)
  30. Bilzers: hae lit 't hange (=hij geeft de moed op)
  31. Zottegems: 't es nen karaudzigen (=iemand die veel moed heeft)
  32. Westerkwartiers: hij was lamsloag'n (=hij had al zijn moed verloren)
  33. Helmonds: ons moeder zijn vogeltje (=moeder)
  34. Gents: oade boove zijt breng maan sletse mee, oade bove zaat moede nekier zwoaie (=iemand die in zijn neus peutert)
  35. Hansbeeks: ij ee een arte nodde moedn kraukn (=hij heeft een harde noot moeten kraken)
  36. Axels: moeders, zaeg niet (=Mam, zeur niet)
  37. Wesdurps: ei e ge'e karaoge mi'er (=hij heeft geen moed meer)
  38. Lokers: Nen aun aup moedde gieen toten liéren trèkn (=Een oude aap moet men geen muilen leren trekken)
  39. Gents: roaste wa moede gei koste, k' goa eu kieze veur achter mein kiekes te luupe (=een roodharig persoon)
  40. Turnhouts: Hoag weef (=Ongehuwde moeder)
  41. Fries: heit (=vader moedER)
  42. Westerkwartiers: een die at op berre leit moedem stilhollneen een, dien (=is mag zich ner is mag zich nergens mee bemoeiengens mee bemoeieniemand die ziek)
  43. Ninoofs: moeier memmekes (=moeder de gans - moeder weet al)
  44. Horster: Ow pap is ow mam (=uw vader is uw moeder)
  45. Heusdens: da vromes moed´r es int oeg hoon (=je moet eens op die vrouw letten)
  46. Waregems: ee se'koocht (=is ze moeder geworden)
  47. Heusdens: moes osmahinne (=waar is ons moeder naartoe)
  48. Zuuns: korrozzje onder de sozzje (moed, courage onder de deken) (=doe het goed bij het vrijen)
  49. Spakenburgs: van wee bin jie dur een ? (=wie is je vader of moeder?)
  50. Brabants: ze wou ne kleine (=ze wou moeder worden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen