zitten

werkw.
Uitspraak:  zɪtə(n)]
Vervoegingen:  zat (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gezeten (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) op je zitvlak zitten
Voorbeelden:  `op de grond zitten`,
`Ga zitten.`
Antoniem:  staan

2) op een bepaalde plaats of in een bepaalde toestand zijn
Voorbeelden:  `in de problemen zitten`,
`Hij zit een week in Italië.`,
`Er zit een wesp in het glas.`,
`De sleutels zitten in mijn jaszak.`
Synoniem:  zijn
blijven zitten  (niet naar een hogere klas mogen)
zitten achter  (de dader of de reden zijn van) `Wie zit er achter de aanslag?`
laten zitten  (in een bepaalde toestand laten) `Laat (het) zitten, het heeft toch geen zin.`
iemand laten zitten  (iemand verlaten die je nodig heeft) `Zijn vriendin heeft hem laten zitten.` Synoniem: in de steek laten
zitten te (…)  (bezig zijn te (…)) `Zit je je weer te vervelen?`

3) (van kleren) passen
Voorbeeld:  `Zitten je schoenen lekker?`

4) veroordeeld zijn tot gevangenisstraf
Voorbeelden:  `De inbrekers moeten twee jaar zitten.`,
`Hij heeft gezeten en kan moeilijk een baan vinden.`
Synoniem:  brommen (4)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanraken beoefenen gezeten zijn passen poseren uithangen wonen

Spreekwoorden en zegswijzen
zitten te kijken als Jonas in de walvis (=erg benauwd zitten te kijken)
zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
zitten als een kikker op een kluitje (=zonder enige bewegingsruimte)
• voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten (=tegen minimale kosten maximaal voordeel verlangen.)
• voor de mast zitten (=niet opkunnen wat men op zijn bord heeft)
Toon alle 89 spreekwoorden die zitten bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je zitten krachtiger uitdrukken?
zitten als gegoten;

6 definities op Encyclo
  1. • [inerg] op het zitvlak rusten. • [erga] zetelen, plaats genomen hebben. • [auxl] duratief hulpwerkoord.
  2. daar zijn vb: hij zit boven in het bestuur zitten [bestuurslid zijn] op voetbal zitten [lid zijn van een voetbalclub] blijven zitten [niet overgaan naar de volgende klas]
  3. daar zit wat op: daar zit een konijn in. Men gaat met het oor voor de pijp liggen en hoort dan het konijn
  4. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 zijn werkplaats hebben, b.v. hij zit bij A.
  5. 1) Aanraken 2) Beoefenen 3) Gezeten zijn 4) In de gevangenis verblijven 5) In de gevangenis zijn 6) Kamperen 7) Passen 8) Poseren 9) Uithangen 10) Verkeren 11) Wonen 12) ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met zitten:
zitten aanzitten metzittenblijvenzittenblijverzittenblijverszittend

Deze woorden eindigen op zitten:
aanzittenachternazittenbezittenbijzittendwarszittengevangenzittenloszittenmeezittenopzittenstilzittenuitzittenvastzittenverzittenvoorzitten

Herkomst volgens etymologiebank.nl
zitten (gezeten zijn, zich bevinden)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `zitten` kennen.