wonen

werkw.
Uitspraak:  [wonə(n)]
Vervoegingen:  woonde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gewoond (volt.deelw.)

ergens je huis, appartement of etage hebben en daar permanent leven
Voorbeeld:  `in Amsterdam wonen`
Synoniem:  gehuisvest zijn
klein wonen  (een kleine woning hebben)
op stand wonen  (in een deftige buurt wonen)
op jezelf gaan wonen  (uit het ouderlijk huis gaan en in een eigen woning gaan leven)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gehuisvest zijn gevestigd zijn leven logeren resideren verblijven woon

Spreekwoorden en zegswijzen
• ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
• in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben - schuld hebben)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Wat is juist: `Katrien is verhuist naar Norg` of `Katrien is verhuisd naar Norg`? Zie Verhuizen: verhuisd / verhuist

6 definities op Encyclo
  • Wonen of gehuisvest zijn is de benaming voor permanent op 1 vaste plek leven. Deze plek is meestal een woning of andere woning, maar kan in ruimere zin slaan op elke ple...
  • • [inerg] een permanente behuizing hebben.
  • er je woning hebben vb: hij woont al een jaar in Amsterdam Synoniemen: huizen huisvesten
  • 1) Ergens gevestigd zijn 2) Gehuisvest zijn 3) Gevestigd zijn 4) Huisvesten 5) Huizen 6) Leven 7) Logeren 8) Nestelen 9) Onder dak zijn 10) Resideren 11) Tabernakelen 12)...
  • Een van de branchegroepen. Deze branche verkoopt artikelen die met wonen te maken hebben.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op wonen:
    bewonenbijwoneninwonenmeewonensamenwonenscheefwonenuitwonen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    wonen (gehuisvest zijn)