vastzitten

werkw.
Uitspraak:  [ˈvɑstsɪtə(n)]
Vervoegingen:  zat vast (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft vastgezeten (volt.deelw.)

1) zó zitten dat je het niet kunt bewegen
Voorbeeld:  `Die dop zit vast, ik krijg hem niet van de fles.`
Antoniem:  loslaten

2) in de gevangenis zitten
Voorbeeld:  `vastzitten wegens rijden onder invloed van alcohol`
Synoniem:  gevangenzitten

3) in moeilijkheden zitten en geen oplossing weten
Voorbeeld:  `Door een te optimistische planning kwam ik helemaal vast te zitten.`
Synoniemen:  klem zitten, in het nauw zitten

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
blijven hangen gevangen zitten in het nauw zitten klem zitten klemzitten

Taaladvies
Waar komt een patstelling vandaan? Zie Een patstelling

4 definities op Encyclo
  • •onbeweeglijk gehouden worden.
  • in de gevangenis zitten vb: mijn buurman heeft vastgezeten, maar nu is hij weer vrij ergens aan vastzitten [het moeten doen, er niet meer onderuit kunnen]
  • 1) Belemmering 2) Blijven hangen 3) Gevangen zijn 4) Gevangen zitten 5) Haperen 6) In het nauw zitten 7) In verlegenheid zijn 8) Klem zitten 9) Klemzitten 10) Plakken 11)...
  • met een vaartuig op de bodem van het vaarwater rusten. Ook vastliggen genoemd
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met vastzitten:
    vastzitten aan