vastzitten

werkw.
Uitspraak:  [ˈvɑstsɪtə(n)]
Vervoegingen:  zat vast (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft vastgezeten (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) zó zitten dat je het niet kunt bewegen
Voorbeeld:  `Die dop zit vast, ik krijg hem niet van de fles.`
Antoniem:  loslaten

2) in de gevangenis zitten
Voorbeeld:  `vastzitten wegens rijden onder invloed van alcohol`
Synoniem:  gevangenzitten

3) in moeilijkheden zitten en geen oplossing weten
Voorbeeld:  `Door een te optimistische planning kwam ik helemaal vast te zitten.`
Synoniemen:  klem zitten, in het nauw zitten

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
blijven hangen gevangen zitten in het nauw zitten klem zitten klemzitten

5 definities op Encyclo
  1. met een vaartuig op de bodem van het vaarwater rusten. Ook vastliggen genoemd.
  2. in de gevangenis zitten vb: mijn buurman heeft vastgezeten, maar nu is hij weer vrij ergens aan vastzitten [het moeten doen, er niet meer onderuit kunnen]
  3. (N.-Br.): oploopen, van de fret gezegd; zie oploopen
  4. •onbeweeglijk gehouden worden.
  5. 1) Belemmering 2) Blijven hangen 3) Gevangen zijn 4) Gevangen zitten 5) Haperen 6) In het nauw zitten 7) In verlegenheid zijn 8) Klem zitten 9) Klemzitten 10) Plakken 11)...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met vastzitten:
vastzitten aan

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `vastzitten`.