klappen

werkw.
Uitspraak:  [ˈklɑpə(n)]
Vervoegingen:  klapte (verl.tijd enkelv.)

1) met de handen op elkaar slaan
Vervoegingen:  heeft geklapt (volt.deelw.)
Voorbeelden:  `Na de mooie uitvoering begon het publiek enthousiast te klappen.`,
`Na de pauze klapte de docente in haar handen om iedereen weer naar de les te krijgen.`
Synoniem:  applaudisseren

2) met een klap (1) kapotgaan
Vervoegingen:  is geklapt (volt.deelw.)
Voorbeelden:  `De auto staat met een geklapte band langs de weg.`,
`klapband`

3) met een klap (1) vallen of tegen iets aan komen
Vervoegingen:  is geklapt (volt.deelw.)
Voorbeeld:  `Zij viel van de fiets en klapte tegen de grond.`
het klappen van de zweep kennen  (veel ervaring hebben)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
applaudiseren applaudisseren applaus babbelen exploderen handgeklap handtastelijkheden kakelen klakken kletsen kletteren klikken knallen kwebbelen kwekken kwetteren ontploffen opdonders ovatie praten ransel smakken snateren spreken springen vuistslagen wauwelen zwammen

Spreekwoorden en zegswijzen
• uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag zeggen)
• het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
• een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep. (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je klappen krachtiger uitdrukken?
rake klappen;

10 definities op Encyclo
  • een aantal keren je handen tegen elkaar slaan uit bewondering voor iets vb: na afloop hebben we voor hem geklapt Synoniem: applaudisseren
  • [Vlaamse woorden] praten
  • Vlaams voor het Nederlandse woord ` praten`
  • Vlaams voor het Nederlandse woord ` spreken`
  • [slang] batten; klappen; pukul; stoeken; thopen = slaan
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op klappen:
    dichtklappeninklappenopklappenuitklappenverklappen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    klappen (een ploffend geluid geven; babbelen, kletsen)