de klap

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [klɑp]
Verbuigingen:  klap|pen (meerv.)

1) hard geluid
Voorbeeld:  `De vogel vloog met een klap tegen het raam.`
Synoniemen:  bons, smak
als klap op de vuurpijl  (<dit zeg je na een opsomming als aankondiging van het laatste, dat het voorgaande nog overtreft>) `Het hele seizoen hebben we alles gewonnen en als klap op de vuurpijl scoorden we 6-0 in de laatste wedstrijd.`

2) tik of slag met de hand
Voorbeeld:  `Het meisje gaf het buurkind een klap`
Synoniem:  dreun
De eerste klap is een daalder waard.  (een goed begin is erg belangrijk voor het vervolg)

3) gebeurtenis die iets of iemand pijnlijk treft
Voorbeelden:  `Als er geen vrijwilligers waren, zou de maatschappij een gevoelige klap krijgen.`,
`Zijn dood heeft me een geweldige klap gegeven.`
Synoniem:  dreun

4)
in één klap  (in één keer) `door de brand in één klap alles kwijt zijn`

5)
geen klap  (helemaal niets) `Dat interesseert me geen klap.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
achterklap beuk bonk dreun echec flauwte geklap geklep geklets gepraat geroddel harde slag harslag hengst jens klets klop knal kwak lel mekajem mep muilpeer nederlaag opdon opdonder opduv oplawaai opstopper optater pantoffel peut praatje praatjes rodd roddelpraat roddels slag smak stof tot gepraat stoot tik

Spreekwoorden en zegswijzen
• twee vliegen in een klap slaan (=twee problemen gelijktijdig oplossen)
• hij heeft een klap van de molen gekregen. (=hij is niet goed meer bij zijn verstand)
• een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
• de klap op de vuurpijl (=een verrassing)
• de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen

Helaas, geen resultaten gevonden.



8 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-pen), slag; oorveeg; zie KLEP; [figuurlijk] een - in het aangezigt, eene beschimping, beleediging; [spreekwoord] twee vliegen in