springen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsprɪŋə(n)]
Vervoegingen:  sprong (verl.tijd ) Toon alle vervoegingen

1) je met je benen tegelijk omhoog bewegen
Voorbeeld:  `over een hek springen`

2) plotseling in genoemde toestand komen
Voorbeeld:  `Het stoplicht springt op rood.`
in het oog springen  (opvallen)
eruit springen  (opvallen) `Die jongen springt er door zijn lengte echt uit.`

3) plotseling en met een hard geluid kapotgaan
Voorbeeld:  `De ramen zijn door de hitte van de brand gesprongen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afspringen barsten dansen een sprongetje maken exploderen kaatsen klappen naar beneden springen ontploffen opspringen ploffen wippen

Spreekwoorden en zegswijzen
• voor iemand in de bres springen (=iemand helpen)
• verder springen dan zijn stok lang is (=meer willen doen dan men aankan)
• van de os op de ezel springen (=steeds van onderwerp veranderen)
• van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
• uit zijn vel springen (=zeer kwaad zijn)
Toon alle 12 spreekwoorden die springen bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je springen krachtiger uitdrukken?
springen als een kikker; springen als een vlo;

10 definities op Encyclo
  1. met je voeten afzetten en zo omhoog gaan vb: de hond springt over het hek op de fiets springen [er haastig op stappen]
  2. zegt men 1) van alle wild, dat in het jachtveld oploopt of opvliegt; 2) van het konijn, dat uit de pijp komt, waar het fret opzit
  3. •na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken. •traanvocht veroorzaken. •plotseling breken of uit elkaar barsten.
  4. 1) Afgaan 2) Afspringen 3) Barsten 4) Dansen 5) Dartelen 6) Discipline van de paardensport 7) Exploderen 8) Failliet gaan 9) Huppen 10) Hossen 11) Huppelen 12) Joepen 13)...
  5. alleen naar een vooruit rijdende groep rijden, zonder het peloton op sleeptouw te nemen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met springen:
springend gen

Deze woorden eindigen op springen:
afspringenbespringenbijspringenhoogspringeninspringenontspringenwegspringenpolshoogspringenpolsstokhoogspringenpolsstokspringenhink-stap-springenschoonspringentouwtjespringenuitspringenverspringenopspringenschansspringen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
springen (zich plotseling verplaatsen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `springen` kennen.