Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `trouwen`

  1. Een paard dat stormt en een meisje dat wil trouwen zijn niet tegen te houwen. (=Niet tot iets anders te bewegen)
  2. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  3. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  4. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  5. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. (=Vertrouwen wint men langzaam, maar kan men vlug verliezen)
  6. zijn ogen vertrouwen (=geloven wat men ziet)

22 betekenissen bevatten `trouwen`

  1. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  2. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Als de vrijster achter haar geliefde aanloopt, wil zij te graag trouwen)
  3. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  4. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  5. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  6. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  7. als de rechte Adam komt gaat Eva mee (=gezegd van 'n meisje dat liever niet wil trouwen)
  8. hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  9. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  10. in de echt verbinden (=huwen, trouwen)
  11. met iemand te diep in zee gaan (=iemand al te ver vertrouwen)
  12. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
  13. het op iemand niet begrepen hebben (=iemand niet vertrouwen)
  14. iemand op de proef stellen (=iemand testen om te zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
  15. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  16. Daar hangt de schaar uit (=Men is daar niet te vertrouwen)
  17. met een goed geloof en een kurken ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
  18. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  19. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  20. huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
  21. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. (=Vertrouwen wint men langzaam, maar kan men vlug verliezen)
  22. Geloof nooit iemand die in de ene hand water en de andere hand vuur draagt (=Wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)

Het dialectenwoordenboek kent 22 spreekwoorden met `trouwen`

  1. Berchems: loaten kljuutn (=trouwen)
  2. Hasselts: Aafblèèven of tréûn (=Houwen is trouwen)
  3. Epers: de blauwe stoepe opgoan (=trouwen)
  4. Evergems: Ses van ’t gemeentenhuis gedonderd. (=Ze staat op trouwen)
  5. Drents: die hef de raap'n gaar (=die moet trouwen)
  6. Zeeuws: zen dr cent versnoept (=moeten trouwen)
  7. Oudenbosch: touw brood mot eurst op (=dochters in volgorde van leeftijd laten trouwen)
  8. Westerkwartiers: wilst met mij noar 't gemeentehuus ? (=wil je met me trouwen ?)
  9. Sallands: 'Va, gaot ezels ok trouwn ' 'Allene ezels trouwt, mien jong.' (='Vader, trouwen ezels ook ' 'Alleen ezels trouwen, m'n zoon.')
  10. Bilzers: Ich ben nau te aad en te stijf vür e wijf (=trouwen is voor jongeren)
  11. Munsterbilzen - Minsters: ne getrouwde man moet de mond tau en de portemenei oëpe haage (=trouwen is houwen !)
  12. Westfries: Trouwe is voer zoeke voor een aar z'n goit. (=trouwen is je schoonouders spekken)
  13. Axels: z'èn te veê zuûre beiers gheét'n (=ze moeten gaan trouwen)
  14. Bilzers: Vür e stëkske wos moeste geen heil vêrke én haus haole (=Waarom nog (her-) trouwen ?)
  15. Sint-Niklaas: op ieder potje past e schilken (=iedereen vindt wel iemand om mee te trouwen)
  16. Venloos: det's ein motje (=meisje dat zwanger is voor het huwelijk die moet trouwen)
  17. Munsterbilzen - Minsters: de koe méttet kaaf kope (=trouwen met een vrouw die al moeder is)
  18. brabants: ge kunt vur un eindje worst gin heel verreke in huis hoale (=Geen zin om opnieuw te trouwen van een weduwe)
  19. Munsterbilzen - Minsters: moetekes ston èn de stal, mèr kaaver loope iëveral (=trouwen is zijn rechten halveren en zijn plichten verdubbelen)
  20. Alblasserdams: die is geurs in de grip gedoken en trug gouw gaan breien. (=aanduiding voor iemand die moest gaan trouwen vanwege zwangerschap)
  21. Twents: trouwen: ie denk daj der gold vindt ma ie vindt d'r nog gien roestigen spieker (=trouwen: je denkt dat je goud vindt, maar je vindt nog geen roesterige spijker)
  22. Sint-Niklaas: as een ou schuur ont brangen gerokt is er geen blussen oan (=als een ouder het in 't hoofd krijgt om te trouwen, is er geen tegenhouden aan)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen