Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


28 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `brood`

  1. als warme/hete broodjes over de toonbank gaan. (=zeer goed verkopen)
  2. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  3. broodnodig (=onmisbaar)
  4. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  5. de een z'n dood is een ander z'n brood. (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  6. de kaas niet van het brood laten eten/halen (=niet laten ontnemen waar men recht op heeft)
  7. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  8. een kruimeltje is ook brood. (=wees gelukkig met wat je hebt)
  9. een profeet die brood eet (=een waardeloos profeet)
  10. ergens geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  11. het brood uit de mond nemen/stoten (=de kostwinning ontnemen)
  12. het eet geen brood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud.)
  13. het genadebrood eten (=door anderen onderhouden worden)
  14. hij kan meer dan brood eten (=hij weet veel)
  15. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  16. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  17. klagers hebben geen nood en pochers hebben geen brood. (=zowel klagers als pochers kunnen de zaken nogal eens overdrijven.)
  18. komen met de paal als het brood in de oven is (=te laat komen)
  19. liever brood in de zak, dan een pluim op de hoed (=van eer kan men niet leven.)
  20. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  21. profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  22. scoren alsof het warme broodjes zijn (=scoren alsof het helemaal niets is)
  23. stenen voor brood geven (=iets geven waar de ander niets aan heeft)
  24. wiens brood men eet diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  25. zich de kaas niet van het brood laten eten (=zich de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  26. zich de kaas van het brood laten eten (=zich laten ontnemen waarop men recht heeft.)
  27. zich het kaas niet van het brood laten eten (=voor het eigen belang opkomen)
  28. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed.)

4 betekenissen bevatten `brood`

  1. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  2. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  3. zuivel op zuivel is voer voor de duivel. (=in de Middeleeuwen gebruikt om mensen van hekserij te beschuldigen, wanneer zij zuivel op zuivel op hun brood deden.)
  4. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)

Het dialectenwoordenboek kent 85 spreekwoorden met `brood`

  1. Rotterdams: broodJE NEL (=broodJE ROSBIEF)
  2. Munsterbilzen - Minsters: nog gene naogel hübbe vër zen K. te krabbe (=zelfs niet het broodnodige bezitten)
  3. Giethoorns: De broodkrummels stikken em (=In de pubertijd)
  4. Walshoutems: veul broodvet make (=Hoog van de toren blazen)
  5. Bilzers: das vel i (=zij/hij is broodmager)
  6. Munsterbilzen - Minsters: ne sprinkhaon (='n broodmager meisje)
  7. Weerts: zoeë maager wi-j 'ne aoje pieëlhaas (=broodmager)
  8. Brakels (gld): Ge kunt zun knoku tellu (=Hij is broodmager)
  9. Munsterbilzen - Minsters: van koskes kraajgste dikke boskes (=eet ook de broodkorstjes op !)
  10. Haags: besguitstuiter met sallûf (=broodje bal met mayonaise)
  11. Aalsters: En broeike smeirn (=Een broodje smeren.)
  12. Tilburgs: vòrse brôojkes meej aawe kèès. (=verse broodjes met ouwe kaas)
  13. Munsterbilzen - Minsters: dasset toetsje opte gateau (=de bakker zijn broodje is gebakken)
  14. Achterhoeks: stekke ow de broodkrumels (=wat ben je vervelend)
  15. Ninoofs: oubakken breud (=oud brood)
  16. Giethoorns: Dat brood is zo dreuge as Sunterklaos zien gat (=Droog brood)
  17. Westerkwartiers: krumeltjes benn'n ok brood (=ook kruimeltjes zijn brood)
  18. Sint-Niklaas: da brood is verduft (=dat brood is muf geworden)
  19. Sint-Niklaas: e grof brood (=een brood van tarwemeel)
  20. Achterhoeks: i-j kiekt um tegen 't broodvoorn (=je kunt zijn bilnaad zien)
  21. Lichtervelds: ze volt med eur gat in de beutre (=haar broodje is gebakken)
  22. Westerkwartiers: de muuz'n legg'n doar dood veur de broodtrom (=het is daar armoedje troef)
  23. Munsterbilzen - Minsters: hae hèt zen baune gedop (=de bakker zijn broodje is gebakken)
  24. Valkenswaards: nen allinge mik (=een heel brood)
  25. Overmeers: 'n kuste brueud (=een korst brood)
  26. Overmeers: ne kant brueud (=een rest brood)
  27. Overmeers: 'n lokke brueud (=een stuk brood)
  28. Bosch: dinteloord spek (=suiker op brood)
  29. Zeeuws: ie hi bie zn broead uut (=brood meenemen)
  30. Kinrooi: Gedeildj broeëd is veul lekkerder! (=Gedeeld brood is veel smakelijker!)
  31. Ostêns: da wordt ier broodje vuste met mullepaté (=er zal hier gevochten worden)
  32. Luyksgestels: 't is ginnen oard (=daar lusten de honden geen brood van)
  33. Zeeuws: kiek dn bakker is ter deur ekropen (=brood met gat er in)
  34. Riekevorts: Tej Nerrik (=Teo de bakker van taai brood)
  35. Rotterdams: Un stukkie brood (=Een halfje brood)
  36. Zeeuws: dn bakker is verjerd zeker (=brood met enkele rozijnen)
  37. Rotterdams: hallefie krop (=een halfje bruin brood)
  38. Tiens: zoe droejg as ne kempstek (=droog brood)
  39. Roermonds: As d'n eine sjaaj haet, haet d'n angere perfiet (=De een zijn dood is de ander zijn brood)
  40. Munsterbilzen - Minsters: ze vier brand oppe leig pitsje (=de bakker ziet er geen brood meer in)
  41. Munsterbilzen - Minsters: van braud wieëste graut, van mik wieëste dik (=zwart brood is gezonder dan wit)
  42. Antwerps: kloagers giëne noëd en stoeffers giën broëd (=klagers geen nood en snoevers geen brood)
  43. Tilburgs: klaogers gin nôod, zwètsers gin brôot (=klagers hebben geen nood en snoevers geen brood)
  44. Venloos: Dao haet d'n bekker zien vrouw doorhaer gejaag (=Er zitten gaten in het brood)
  45. Giethoorns: Dar bin ze zo aarm, daor liggen de muzen dood veur de kaaste (=geen kruimel brood meer in huis)
  46. Munsterbilzen - Minsters: bau n hin dab, pikse (=wiens brood men eet, diens woord men spreekt)
  47. Westerkwartiers: krumels benn'n ok brood (=veracht het kleine niet)
  48. Westerkwartiers: da's nijbakk'n stuut (=dat is heel vers brood)
  49. Overmeers: 'n bakte brueud (=een oven brood)
  50. Flakkees: Hallelujah brôd mit suuker (=Hallelujah brood met suiker)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen