Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schoon`

  1. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  2. de kans schoon zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  3. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  4. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  5. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten. (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring.)
  6. schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
  7. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)

6 betekenissen bevatten `schoon`

  1. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  2. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  3. de augiasstal reinigen (=de rommel opruimen - schoon schip maken)
  4. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels. (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  5. de slaap der rechtvaardigen slapen. (=een schoon geweten hebben.)
  6. wie mooi wil wezen, moet pijn lijden. (=voor schoonheid moet je wat over hebben)

Het dialectenwoordenboek kent 41 spreekwoorden met `schoon`

  1. Gronings: aangetrauwt proeksel (=schoonfamilie)
  2. Veurns: de boeël opkuusch'n (=schoonschip maken)
  3. Zaans: op ze Oossaans ete (=het bord helemaal schoonlikken)
  4. Munsterbilzen - Minsters: èn de fleûr van zëne fladder (=in zijn schoonste jeugdjaren)
  5. Genneps: 't Vroegjaor ien de kop krie.ge (=schoonmaakwoede)
  6. Wommersoms: de groewete kowsh (=de grote schoonmaak)
  7. Brugs: e schoone brokke (=een mooi meisje)
  8. Mechels (BE): schoen schoone (=mooie schoenen)
  9. Westfries: Trouwe is voer zoeke voor een aar z'n goit. (=Trouwen is je schoonouders spekken)
  10. Oudenbosch: daor kunde nog spurrie in zaaie (=dat is niet goed schoongemaakt)
  11. Zurriks: Engetrouwd is engeschete (=Van je schoonfamilie moet je het maar hebben)
  12. Westerkwartiers: nije bezzems veeg'n schoon (=nieuwe bezems vegen schoon)
  13. Westerkwartiers: dat verdient gien schoonheidspries (=dat is op een niet leuke manier uitgevoerd)
  14. Weerts: Dae aetendje vrietj, weurtj met ondânk beloeëntj (=Niet te vaak eten bij je a.s. schoonouders)
  15. Dongens: den dam zùver zetten (=de oprit schoonmaken)
  16. Evergems: De vuilste verkens wil’n altijd ’t schuuënste strüét. (=Die het minst verdient, wil steeds het schoonste en beste deel.)
  17. Bilzers: de sjünste kender wiene dür de zon gesnap (=schoonheid kan vlug verbranden)
  18. Westerkwartiers: elk moet zien eig'n stroatje schoonholl'n (=elk moet z'n eigen zaakjes afhandelen)
  19. Oudenbosch: het schoonste van bove en ut lochste van ondere (=de kast op z n mooist opgeruimd)
  20. Twents: Den löp noast de schoone (=Dat is een over het paard getild persoon.)
  21. Lichtervelds: jeet gat schoîne (=hij ziet de kans schoon)
  22. Munsterbilzen - Minsters: dër mètte groeëve bossel dërgon (=schoon schip maken)
  23. Fries: sa skjin as sûker (=zo schoon als suiker)
  24. Oudenbosch: daor meude wellus ne bessem deuraole (=dat moet je nodig even schoonmaken)
  25. Waalwijks: Erges vort peuke van scheite (=Ergens schoon genoeg van hebben)
  26. Bilzers: Wae n vroo trouwt vért lijf, behûltet lijf mér verlieset wijf (=laat je niet verlijden door uiterlijke schoonheid)
  27. Westerkwartiers: schoon schip moak'n (=alle ouwe troep opruimen)
  28. Waalwijks: Erges peuke van scheite (=Ergens schoon genoeg van hebben)
  29. Munsterbilzen - Minsters: hang ze m (=die krijg je nooit meer schoon)
  30. Westerkwartiers: de bezzem moet d'r deur !! (=ze moeten schoon schip maken !!)
  31. Booms: tis al vier iere enlmoet men miere en blaffetiere nog schiere (=het is vier uur en ik moet mijn muren en luiken nog schoonmaken)
  32. Bilzers: waet laeve bemint és nie ziende blind (=het leven is mooi, maar je moet er de schoonheid van inzien)
  33. Bilzers: waet laeve bemint és ziëker nie ziende blind (=het leven is mooi voor hen die er de schoonheid van inzien)
  34. Oudenbosch: die zal zunne assie wel uitkruije (=hij zal zich wel schoon praten)
  35. Zeeuws: moet je een schoon bord (=iemand laat een boer)
  36. Liemers: Bi-j ollie in huus is alles vet behalve de aetespot. (=Bij jullie is het huis niet schoon en het eten schraal.)
  37. Westerkwartiers: nije bezzems veeg'n schoon (=nieuwe bazen ruimen oud zeer op)
  38. Maas en waals: Zit niet in de neus te peuteren of pulleken (=zit niet je neus schoon te maken met je vingers)
  39. Liemers: D'r ech schoon gewasse glad geschaore en kortbi-jgeknip uutzie:n alaeneg steeh dah bi-j ow d'r 'n bitje al te sjappieachtegs uut ! (=Op z`n paasbest eruit zien)
  40. Bilzers: Lik zen eege hiëfke sjaun te glore, dan zal t onkraud van de geboere dich nie bekore (=Als iedereen voor zijn eigen deur keert, is de ganse straat schoon)
  41. Sint-Niklaas: ge wit zaalf mor den aalft van 't schoon weer nie meer; gètte klok ore luin mor ge witte klepel nie angen (=gij weet het precies zelf niet goed meer)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen