Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `broek`

  1. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  2. achter de broek zitten (=opjagen)
  3. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  4. de broek lappen en het garen toegeven (=er veel verlies aan overhouden)
  5. het een eind uit de broek laten hangen (=royaal zijn)
  6. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  7. iemand achter de broek/veren/vodden zitten (=iemand aansporen/opjagen / nauwlettend volgen)
  8. iemand een veer in de broek/kont steken (=iemand complimenteren of prijzen)
  9. zij hebben een te grote broek aangetrokken (=die organisatie heeft een doel op zich genomen waarvoor ze niet de benodigde capaciteiten, financiële middelen en/of invloed heeft)

2 betekenissen bevatten `broek`

  1. water in je kelder hebben (staan) (=een te korte broek aanhebben)
  2. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)

Het dialectenwoordenboek kent 177 spreekwoorden met `broek`

  1. Spakenburgs: heije in je broek u kakt (=heb je in je broekgepoept)
  2. Munsterbilzen - Minsters: zen broek ès op vekanse (=zijn broekskruis hangt wat laag)
  3. Lichtervelds: broeksje, woa goaj mé da vintje (=zijn broek is veel te groot)
  4. Munsterbilzen - Minsters: stijten en broeksjijten (=bluffen)
  5. Aalters: Komde van Loeutnhulle, meschien ? (=Uw broeksluiting vooraan is open)
  6. Waregems: zin mouwn of zin brouwk ipsluuëvn (=opstropen van mouwen of broekspijpen)
  7. Ransts: wadist goodde verhoazen, want aa hande zen al ingepakt (=iemand die met zijn handen in zijn broekzakken staat)
  8. Zeeuws: ie kan amper boven zn broekband kiekn (=niet groot)
  9. leuvens: g'ét wooter in aave kelder (=je broekspijpen zijn te kort)
  10. Barghs: De riem op de vrèathòak zette (=De broekriem een tandje ruimer zetten na veel eten)
  11. Denderleeuws: é ei nen broekhoest (=hij laat een scheet)
  12. Lokers: a'k nou een schete loaut zit er e gat in mijn broeke (=het eten is pikant)
  13. Lichtervelds: doe je broekveure toe, ttrekt ier (=uw gulp staat open)
  14. Sint-Niklaas: 't is 'nen broekschijter, nen labbekakker (=iemand die schrik heeft)
  15. Heist-op-den-Berg: cinemates (=Een gat in je broekzak)
  16. Westfries: noh maid het je het in je broeks skoit (=heb je het te hoog in je bol)
  17. Kinrooi: Hieël veul gelök zitj in e klein breukske! (=Heel veel geluk zit in een klein broekje!)
  18. Staphorsts: de vaaz'n an de broek em (=een rafelige broek aan hebben)
  19. Valkenswaards: Umzeumen (=broek korter maken)
  20. Zeeuws: un kwartje ai op je broek trapt! (=te korte broek)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ich ho nie alleen mèr de wasspengskes mèr ook de brikskes en soetjaekes sjeef geslaoge (=ik had niet alleen de wasspelden maar ook de broekjes en BH'tjes gepikt)
  22. Overpelts: trekt ouw boks op (=trek je broek omhoog)
  23. Wetters: ein zijn bluute voane (=in zijn hemd, zonder broek)
  24. Zeeuws: tis oog witter hloof k (=te korte broek)
  25. Mechels (BE): Op smirrekes lopen (=broek is te kort)
  26. Vlijtingens: de hubs woater in zènne kalder (=je broek is te kort)
  27. Waregems: 't stoa woatre in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  28. Opwijks: eit wauter in zenne kelder (=zijn broek is te kort)
  29. Ninoofs: A eet woeëter in zanne keljer (=Zijn broek is te kort)
  30. Ninoofs: Bockstoeël es doeë (=Zijn broek is te kort)
  31. Bilzers: zen hoj es ont dreige (=zijn broek staat open)
  32. Zeeuws: ie kiek tmie zijn rechter oohe in zn lienker broekzak (=loensend persoon)
  33. Zeeuws: ie kiekt mie zn lienker oohe in zn rechter broekzak (=schele persoon)
  34. Bilzers: den aonhaager wént, de broekesjijter stink (=de aanhouder wint, de lafaard laat wind)
  35. Zeeuws: zn broek hangt op alf elleve (=zn broek zakt af)
  36. Maas en waals: un massjesterse boks (=een ribfluwelen broek)
  37. kortemarks: je moe moakn dattn wegvliegt (=je broek staat open)
  38. Bornems: Goa et woater in a kelder zeker (=Uw broek is te kort)
  39. Rotterdams: In je blote niksie (=Zonder broek aan lopen)
  40. Hals: ei èèt woeter in zèè keljer (=zijn broek is te kort)
  41. Duffels: nen deus onder oe gat (=een pak voor de broek)
  42. Weerts: hae hieët de bôks op zien hieëse (=een te grote afgezakte broek)
  43. Diems: Ik heb in mien boks gedretten (=Ik heb in mijn broek gepoept)
  44. Brakels: van de wirgoa (=van het zelfde laken een broek)
  45. Niel: ajei woater in zanne kelder (=zijn broek is veel te kort)
  46. Gents: euw veugelmuite stoat oope (=uw broek staat open)
  47. Niel: ajei woater in zaane kelder (=zijn broek is te kort)
  48. Ursels: 't stoa woadre in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  49. Bildts: gyn riem betale kinne (=broek laag dragen)
  50. Bilzers: hae hèt wotter ènne kaller (=zijn broek is te kort)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen