Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rust`

  1. als de ragebol rust werkt de spin (=zonder onderhoud raakt `n huis (de omgeving) snel in verval)
  2. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  3. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  4. onder de vijgenboom rusten (=in rust en welstand leven)
  5. op het procrustesbed leggen (=grofweg inkorten)
  6. op zijn lauweren rusten (=niets doen en genieten van de vrije tijd)
  7. rust noch duur hebben (=erg onrustig zijn)
  8. rust roest (=wanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit)
  9. rusten aan abrahams borst (=een rustig, aangenaam leven leiden)

30 betekenissen bevatten `rust`

  1. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  2. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  3. zo kalm als een zalm (=een rustig persoon)
  4. rusten aan abrahams borst (=een rustig, aangenaam leven leiden)
  5. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  6. rust noch duur hebben (=erg onrustig zijn)
  7. onder zeil gaan (=gaan rusten of slapen, vertrekken of weggaan)
  8. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  9. piano aan gaan (=heel rustig en langzaam gaan)
  10. op zijn dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te haasten)
  11. gas terugnemen (=het iets rustiger aan gaan doen)
  12. het gaat zo zijn gangetje (=het verloopt rustig, zonder ups en downs)
  13. Hij heeft paardenvlees gegeten. (=Hij is van nature onrustig)
  14. onder de vijgenboom rusten (=in rust en welstand leven)
  15. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  16. op twee oren slapen (=je mag gerust zijn)
  17. met een dood kalf is het goed sollen (=men kan gerust wat proberen met iets dat al verloren is)
  18. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  19. lopen als een muis in een meelton (=onrustig heen en weer lopen)
  20. op z'n dooie akkertje (=op zijn gemak, heel rustig, heel langzaam)
  21. het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in berusten)
  22. zijn wilde haren verliezen (=ouder en rustiger worden)
  23. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  24. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)
  25. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  26. op verhaal komen (=uitrusten en op krachten komen)
  27. zijn netten drogen (=uitrusten na dronkenschap)
  28. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit, vrolijkheid of drukte inbrengen)
  29. geduld is een schone zaak (=wie rustig afwacht wordt beloond)
  30. zich katoen houden (=zich rustig houden)

Het dialectenwoordenboek kent 79 spreekwoorden met `rust`

  1. Amsterdams: geen regen geen rust (=gèn regen gèn ruste)
  2. Munsterbilzen - Minsters: zing mèr es e tauntsje leiger (=rustg aan !)
  3. Beerses: gen zittend gat hemme (=rusteloos zijn)
  4. Veurns: e droaitoep zien (=ongedurig, rusteloos zijn)
  5. Oudenbosch: stao nie so te jakke jong (=doe wat rustiger aan)
  6. Lebbeeks: rèzzekes: Rèzzekes afkappen (=Even gaan rusten)
  7. Buggenhouts: kgeun mè res afkappen (=ik ga even rusten)
  8. Zunderts: praotte en braaije tegelijk (=niet rusten)
  9. Munsterbilzen - Minsters: de werd ès gemok èn kreikes zès daoge, mèr tès ook tron te zien (=de zevende dag rustte Hij)
  10. Helders: scharrebakken (=op rustige muziek (intiem) dansen)
  11. Drents: teumige tied; tuumige tied (=rustige tijd)
  12. Weerts: vrouwehang en paerstang moôge noeëts stilstaon (=geen tijd om te rusten)
  13. Lichtervelds: gee tied genoeg voe te rustn oaj doîd zyt (=werk maar verder)
  14. Zwartebroeks: doe's kuum (=doe is rustig)
  15. Munsterbilzen - Minsters: haatech koesj (=blijf rustig)
  16. Westfries: je kenne bedare! (=doe 's rustig!)
  17. Bilzers: zin és e tauntsje leiger (=rustig aan !)
  18. Antwerps: loept nor de poemp (=laat me met rust)
  19. Bilzers: lot mich mèt vrië (=laat mij met rust)
  20. Sint-Niklaas: iemand grust loaten (=iemand met rust laten)
  21. Kaatsheuvels: doede gij ies ruustig aon (=doe eens rustig aan)
  22. Westlands: makkie an doen (=het rustig aan doen)
  23. Bilzers: ielek op zenen toer (és niks te viël) (=rustig aan !)
  24. Bilzers: stillekes aon doertet langste (=rustig aan gaat ook)
  25. Kanners: haj net zoe (=rustig aan maar)
  26. Ossies: zuutjes oan menneke (=rustig aan man)
  27. Twents: Doo-t hènig an (=Doe het rustig aan)
  28. Veurns: Oedt je moa koeste (=Wees kalm en rustig)
  29. Westerkwartiers: hij scharrelt mooi wat deur (=hij gaat mooi rustig zijn gang)
  30. Westerkwartiers: hij dee 't doodgemoedereerd (=hij deed het heel rustig aan)
  31. Sint-Niklaas: murezeékers in zèn broek ein (=niet rustig kunnen blijven zitten)
  32. Hunsels: Haod dich keduuk! (=Doe eens rustig!)
  33. Giethoorns: De wereld is niet raozend emeuken (=Doe maar rustig aan)
  34. Vechtdals: kalm an doe (=rustig aan doen)
  35. Sinnekloases en niekaarks: kust mijn botten ook mijn voeten (=laat me met rust)
  36. Tilburgs: lò-me naa mar (=laat mij maar met rust)
  37. Oudenbosch: gij leertum allemaol dienge die nie meuge (=laat dat kind met rust)
  38. Steins: houd dich keduuk !! (=houd je rustig !!)
  39. Westerkwartiers: eerst de kat uut de boom kiek'n (=eerst alles rustig overzien)
  40. Sint-Niklaas: ei slopt gullèk een roûs (=hij slaapt rustig en vast)
  41. Tilburgs: unnen opstaoje meens (=iemand die kalm en rustig werkt)
  42. Weerts: Loatj mer koome wi-j ut keumptj (=We wachten rustig af)
  43. Westerkwartiers: één gie strobreed ien 'e weg legg'n (=iemand rustig laten geworden)
  44. Bilzers: ielek op zenen toer és niks teviël (=rustig aan, één voor één, aub)
  45. Zaans: kallemte kèje redde (=rustig maar, het komt wel goed)
  46. Bosch: nie zo haffelen mee da hundje... (=laat dat hondje nou eens met rust..)
  47. Waregems: w'an beetr' in oes brouk esketen, wa'n 't beetr azoêloatn (=we hadden het beter met rust gelaten)
  48. Vechtdals: aals hef zien tied (=doe maar rustig aan)
  49. Mestreechs: tempére-de lap laote drin haange (=rustig aan doen)
  50. Lokers: op ou gemak é! (=rustig aan!)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen