Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tanden`

  1. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  2. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  3. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  4. haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
  5. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  6. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  7. met het mes tussen de tanden (=wanneer alles op het spel staat)
  8. met lange tanden eten (=met tegenzin eten)
  9. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan eten, kan snel werken.)
  10. Tot de tanden bewapend (=Zwaar bewapend)
  11. tot de tanden gewapend (=tot het uiterste bewapend)
  12. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  13. zijn tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)

2 betekenissen bevatten `tanden`

  1. Ook een raspaard schijt als een karhengst. (=Rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
  2. de klok achteruit zetten (=terug naar oude toestanden gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met `tanden`

  1. Sint-Niklaas: zèn tanden uitkoteren (=met een tandenstoker zijn tanden reinigen)
  2. Waregems: j'es peetse skoartentand (=hij mankeert enkele tanden)
  3. Munsterbilzen - Minsters: pikke waajen hin (=met lange tanden eten)
  4. Rotterdams: Je vreetstenen schrobben (=tanden poetsen)
  5. Fries: hier oppe tosken (=haar op de tanden)
  6. Westfries: kauwe as 'n aap op knikkers (=met lange tanden eten)
  7. Deinzes: pemelen (=met lange tanden eten)
  8. Veurns: Op ze sjieke biet'n (=Op zijn tanden bijten)
  9. Steenwijks: tiesen (=met lange tanden eten)
  10. Alblasserdams: tege heugemeug eten (=met lange tanden eten)
  11. Lochristis: é weet van toet'n of bloiz'n (=hij staat met zijn mond vol tanden)
  12. Gents: hoar op eu tanden hén, kbein nen Genteneere (=afbijten of doorstaan)
  13. Weerts: met mien moel vôl tang (=met mijn mond vol tanden)
  14. Merenaars: konijnentannen: werom ejje zulke gruuëte konijnentannen - omda'k neig kan luuëpen (=grote tanden)
  15. Munsterbilzen - Minsters: zen taan lotte zien (=haar op zijn tanden hebben)
  16. Zeeuws: k bin w e hauw verlehen me nie lank (=mond vol tanden)
  17. Zeeuws: Zun tandn lieken we un afgebrand durpje (=Zijn tanden zijn bruine stompjes)
  18. Luyksgestels: un knoelie (=vrouw met haar op de tanden)
  19. Munsterbilzen - Minsters: zit zau nie te sjêrve (=zit zo niet met je tanden over mekaar te schuren)
  20. Heezers: Zun bakkus is net un afgebraand durrup (=Hij heeft een mond vol slechte tanden)
  21. Overmeers: ne mond tanden (=een vals gebit)
  22. Oudenbosch: edder veul motte laote snokke ? ( bij de Gud aon ut spoor 1950 ) (=heb je veel tanden moeten laten tr ekken ?)
  23. Gents: kstoa mee mane moend vol tanden (=iemand die de juiste woorden niet vind)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen