Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `slapen`

  1. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  2. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  3. ergens een nachtje over willen slapen (=er eerst over na willen denken)
  4. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  5. hij stond te slapen (=hij lette niet op)
  6. men moet geen slapende honden wakker maken (=zwijgen over iets, om te voorkomen dat een autoriteit op het idee komt om er werk van te maken)
  7. men moet zijn bed maken zoals men slapen wil (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  8. op twee oren slapen (=je mag gerust zijn)
  9. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  10. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  11. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)

9 betekenissen bevatten `slapen`

  1. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  2. slapen als een marmot/otter/roos (=erg vast en heerlijk slapen)
  3. onder zeil gaan (=gaan rusten of slapen, vertrekken of weggaan)
  4. ik ga horizontaal (=ik ga slapen)
  5. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  6. in Morpheus' armen liggen (=slapen)
  7. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  8. Wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=Voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  9. bij nacht en ontij (werken/zijn) (=wanneer anderen slapen)

Het dialectenwoordenboek kent 54 spreekwoorden met `slapen`

  1. Zwevegems: in z'n bedde kreup'n (=slapengaan)
  2. Zwevegems: een piepke en 'n kreuske (=een zoentje en een kruisje voor het slapengaan)
  3. Waregems: 'n seenewoarietsje, 'n tseentewoareke (=kruisje op het voorhoofd voor het slapengaan)
  4. Moes: goan dooken doen (=gaan slapen)
  5. Arendonks: in ewwe peulder krooipeh (=gaan slapen)
  6. Westerkwartiers: sloap'n as 'n roos (=heerlijk slapen)
  7. Ostêns: kgoan no me kip (=ik ga slapen)
  8. Zoutleeuws: Ich goan no Bets deize kant Bunge (=Ik ga slapen)
  9. Herks: Ig goan menne nest en (=Ik ga slapen)
  10. Munsterbilzen - Minsters: onder de blaute hiemel sloëpe (=in open lucht slapen)
  11. Veurns: in d' oede veure slaap'n (=in zijn onopgemaakt bed slapen)
  12. Waalwijks: Mee de kiepen op stok gon (=vroeg gaan slapen)
  13. Heemskerks: je paadje inkorten (=slapen)
  14. Amsterdams: Ik ga mijn sokken nummeren, film achter m'n oogleden bekijken (=Ik ga slapen)
  15. Lommels: ik goan na la''e kerremis en sazzie mert (=Ik ga slapen)
  16. Rotterdams: Naar de witte Doelen gaan (=Gaan slapen)
  17. Munsterbilzen - Minsters: sloëpe waaj nen os (=diep slapen)
  18. Westerkwartiers: ik goan horizontoal (=ik ga slapen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: roenke (=ronkend slapen als een kat)
  20. Sint-Niklaas: paljas sloapen (=op de grond slapen)
  21. Munsterbilzen - Minsters: noë Betlehem gon (=slapen gaan)
  22. Bilzers: mét de hinne opstêk gon (=vroeg gaan slapen)
  23. Diesters: ich goan mich effekes afkappe (=ik ga even slapen)
  24. Genneps: Ik gaoj op éé'n oor (=Ik ga slapen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: èn zene polder kraupe (=slapen gaan)
  26. Sint-Niklaas: mè de kiekus gô sloapen (=vroeg gaan slapen)
  27. Moorsel: in aa'n nest kroëpen (=gaan slapen)
  28. Zeeuws: ie is de wind kwiet (=hij ligt te slapen)
  29. Budels: slaopen as unne res (=goed en diep slapen)
  30. Mechels (BE): 'k geun onderd meiter platligge (=ik ga slapen)
  31. Lichtervelds: kgoa noa betleejem (=ik ga slapen)
  32. Geels: ik goan sloape, ik kroawep in mijne nest (=ik ga slapen)
  33. Bilzers: e koet énne daog sloëpe (=Lang slapen)
  34. Amsterdams: Bankwerken (=Op een bank slapen)
  35. Amsterdams: Bankzaken regelen (=slapen op het bankstel)
  36. Evergems: Sloap’n totda de zonne in ou gat schijnt. (=Zeer lang slapen)
  37. Amsterdams: Zullen wij de pietebak ingaan? (=Zullen wij gaan slapen?)
  38. Bilzers: ich sloëp asnen os.... (=als ik ga slapen tel ik schaapjes, als ik slaap zie ik nachtmerries)
  39. Zeeuws: moe jie noe ea sleape ? (=Ga je nu al slapen ?)
  40. Rijssens: welterusten,kop int kussen,gat int stro sloap ie zo. (=lekker slapen)
  41. Sint-Niklaas: sloapen gullèk de muizen in 't meel (=waken, half en half slapen)
  42. Sinnekloases en niekaarks: 'k Zijn den bos in, 'k Kruip in mijne nest (=Ik ga gaan slapen)
  43. Sint-Niklaas: nô gommun doddoo kindjes doen (=nu gaan wij slapen (= tegen kleine kinderen))
  44. Texels: De velle foor de óge hange (=Gaan slapen)
  45. West-Vlaams: men ouders slapen beneden he (=zal het gaan?)
  46. Leefdaals: slaope op de paljas par ter (=slapen met de matras op de vloer)
  47. Bilzers: aste slups béste daud (=leven doe je tussen het slapen en eten door)
  48. Lichtervelds: ze sloapn rik an rik (=ze slapen met de rug naar elkaar)
  49. Munsterbilzen - Minsters: geeste met de hinne op stek, zitste wersjaanlëk èn t verkeirde kot (=ga je vroeg slapen, moet je heel goed opletten dat je de juiste kamer kiest)
  50. Munsterbilzen - Minsters: tès al stil ont front ! (=de kinderen slapen al, geloof ik)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen