Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `leer`

  1. al doende leert men. (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet. )
  2. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  3. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  4. de natuur gaat boven de leer (=men volgt eerder zijn karakter dan hetgeen men leert)
  5. de natuur is sterker dan de leer. (=datgene at aangeleerd is wordt gauw vergeten)
  6. denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig.)
  7. dun van leer en dik van smeer (=dunne boterham die dik gesmeerd is)
  8. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  9. ervaring is de beste leermeester. (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
  10. het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  11. hij heeft zijn lesje wel geleerd. (=die fout maakt hij niet weer.)
  12. in de nood leert men zijn vrienden kennen (=als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is)
  13. in nood leert men zijn vrienden kennen. (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen.)
  14. jong geleerd is oud gedaan. (=hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven)
  15. leer om leer zijn (=op gelijke manier straffen als de maner waarop iemand in de fout gegaan is)
  16. leergeld betalen (=fouten maken tijdens het leren)
  17. nood leert bidden. (=in nood leert men anderen om hulp vragen)
  18. om den wille van het smeer likt de kat de kandeleer (=omwille van de voordelen doet men iets)
  19. omwille van het smeer likt de kat de kandeleer (=omwille van het loon doet men een werk)
  20. ondervinding is de beste leermeester. (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  21. van de behoudende leer zijn (=conservatief zijn)
  22. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  23. wat hansje niet leert zal hans nooit weten (=je moet het eerst leren om het later te kunnen)
  24. zonder kleerscheuren (=zonder schade)

19 betekenissen bevatten `leer`

  1. de natuur is sterker dan de leer. (=datgene at aangeleerd is wordt gauw vergeten)
  2. de geest is uit de fles (=dit is niet meer controleerbaar)
  3. al doende leert men. (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet. )
  4. ondervinding is de beste leermeester. (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  5. een ridder van de el (=een kleermaker)
  6. door schade en schande wordt men wijs. (=een mens leert het beste van z'n fouten)
  7. men moet de boom buigen als die jong is. (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  8. het takje buigen als het nog jong is (=goede gewoonten leert men het beste op jonge leeftijd aan)
  9. jong geleerd is oud gedaan. (=hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven)
  10. willen vliegen eer men vleugels heeft (=iets willen doen nog voor men het geleerd heeft)
  11. iets in geuren en kleuren vertellen. (=iets zeer uitvoerig en gedetailleerd vertellen.)
  12. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past. (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen.)
  13. nood leert bidden. (=in nood leert men anderen om hulp vragen)
  14. de natuur gaat boven de leer (=men volgt eerder zijn karakter dan hetgeen men leert)
  15. Rome is niet in één dag gebouwd. (=relativeren: leer geduld te hebben.)
  16. ervaring is de beste leermeester. (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
  17. met de moedermelk ingezogen hebben (=van jongsaf zo geleerd hebben)
  18. heel wat in zijn mandje hebben (=veel geleerd hebben, veel weten)
  19. een ongeletterde boer (=weinig geleerd persoon)

Het dialectenwoordenboek kent 29 spreekwoorden met `leer`

  1. Drents: leerlap, leerlappe (=zeemleer)
  2. Westerkwartiers: nije meester, nije regels (=nieuwe meester, nieuwe leermethodes)
  3. Westerkwartiers: jong leerd, old doan (=zoals met het jong leerde doet men het later)
  4. Westerkwartiers: jong leerd, old doan (=jong geleerd, oud gedaan)
  5. Westerkwartiers: hij mos omstoan leer'n (=hij moest zich aanpassen)
  6. Flakkees: je leerd nooit een krepelen kenne voort gasthuus brand. (=je leerd geen kreupele kennen voor het ziekenhuis in brand staat)
  7. Tilburgs: ut lèrke leej un laojke lêeger (=het leertje ligt een laatje lager)
  8. Westfries: prut an je leerze (=modder aan mijn laarzen)
  9. Ninoofs: a es treeg van oeëpakken (=hij leert traag)
  10. Westerkwartiers: tied zal 't leer'n (=de tijd zal het leren)
  11. Gronings: hai is wel om leerm's komm (=Hij is goed bij z'n verstand)
  12. Oudenbosch: gij leertum allemaol dienge die nie meuge (=laat dat kind met rust)
  13. Gronings: hai is om leermens toukomen (=hij weet wat er in de wereld te koop is)
  14. Harelbeeks: Mee nen domm'n deure goan en mee ne slimm'n weere kiër'n (=Al doende leert men)
  15. Kinrooi: Waat Zjefke neet lieërtj zal Zjefke noeëts wete. (=Wat Jefke niet leert zal Jefke nooit weten.)
  16. Vechtdals: 'n meanse is nooit te old umme te leern (=een mens is nooit te oud om te leren)
  17. Genneps: zó téj as rie.m (=zo taai als leer)
  18. Sittards: op eine auwe fits dao móste 't leere (=op een oude fiets moet je het leren)
  19. Genks: Van kiehs lierste fleete! (=Van kaas leer je fluiten!)
  20. Bilzers: doë konste noges n pin on zauke (=leer daar maar eens van !)
  21. Westerkwartiers: deur vroag'n wor je wies (=vraag maar, daar leer je van)
  22. Twents: Aj een ezel dans'n wilt leern, he'j wal ne glönige plate nörig (=Je moet nog wel heel wat doen om dat voor elkaar te krijgen)
  23. Maldegems: achtr ons trekken ze de leere op (=na de dood is er niets meer)
  24. Westerkwartiers: ik zet heur noar mien haand (=ik leer haar op mijn manier te werken)
  25. Gents: in zijn leer snijen (=iemand schade berokkenen)
  26. Westerkwartiers: uut de kop leer'n (=van buiten leren)
  27. helmonds: portomonee van jung leer (=een lege portomonee)
  28. Drents: die giet en leer;n (=voortgezet onderwijs volgen)
  29. Antwerps: ne smoel voar leer oep te kloppe (=een onaangenaam gezicht hebben)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen