Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

29 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vuur`

  1. als een lopend vuurtje (=zich snel verspreidend (van een bericht of nieuwtje).)
  2. daar durft hij zijn hand voor in het vuur te steken. (=ergens heilig van overtuigd zijn.)
  3. de kastanjes uit het vuur halen. (=een moeilijk klusje oplossen)
  4. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=iemand anders het gevaarlijke werk laten doen)
  5. de klap op de vuurpijl (=een verrassing)
  6. de vuurproef doorstaan (=slagen in de moeilijke onderneming)
  7. die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best. (=als je ergens vlak bij bent heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is)
  8. een ijzer in het vuur hebben (=een plan hebben dat nog onbekend is voor de buitenwereld)
  9. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  10. ergens de hand voor in het vuur steken (=heel erg zeker weten dat iets zo is)
  11. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  12. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  13. het is maar een strovuurtje (=het ziet er erg uit, maar het is snel voorbij)
  14. het is olie op het vuur (=een reeds zeer gespannen situatie wordt door 1 extra gebeurtenis of opmerking tot een uitbarsting gebracht.)
  15. het vuur (na) aan de schenen leggen (=onder druk zetten)
  16. het vuur uit de sloffen lopen. (=een uiterste inspanning leveren door hard te lopen.)
  17. iemand het vuur aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
  18. iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
  19. in vuur en vlam staan (=erg opgewonden zijn / hevig branden)
  20. met vuur spelen (=met gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen)
  21. olie in het vuur gooien. (=iets doen waardoor de ruzie opnieuw begint of oplaait)
  22. te veel vuur in een stoof doet ze branden (=te veel is schadelijk)
  23. voor iemand door het vuur gaan/vliegen (=voor iemand alles overhebben, zich opofferen)
  24. vuur en vlam spuwen (=erg hevig uitvaren)
  25. waar rook is is vuur (=waar geruchten over wangedrag zijn, zal er ook wel iets mis zijn.)
  26. water en vuur zijn (=enlkaar niet kunnen verdragen)
  27. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest. (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan.)
  28. zich het vuur uit de sloffen lopen (=heel erg de best doen)
  29. zijn hand ervoor in het vuur durven steken (=ergens heel erg zeker van zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 44 spreekwoorden met `vuur`

  1. Westerkwartiers: dat gijt as 'n loop'nd vuurke (=dat gaat als een lopend vuurtje)
  2. Genks: hèèt den hoan de kop aafgebiete (=heeft vuurrode lippen)
  3. Nieuw lekkerlands: 't vuurt (=het bliksemt)
  4. Westerkwartiers: hij het 'n kop as 'n bol (=hij heeft een vuurrood hoofd)
  5. Bocholtz: veunkele (=vuurtje maken)
  6. Mestreechs: de kat de bel aon binde (=het vuurtje aan stoken)
  7. Westerkwartiers: woar rook is is vuur (=roken - waar rook is is vuur)
  8. Westerkwartiers: hij kreeg votdoalek de vuurdeup (=hij werd voor de leeuwen gegooid)
  9. Westerkwartiers: hij het wel veur hiedere vuur'n stoan (=hij heeft wel groter moeilijkheden overwonnen)
  10. Gents: kgo ue ne schup in uwen intpot geve, dade al schraavend vuurtluupt (=iemand fysiek bedreigen (meestal grappig bedoeld))
  11. Weerts: vör 't vuurste van e vroumes en 't achterste van e paerd mójje oppasse (=laat je niet gek maken)
  12. Gents: 'k goa eu ne schup in euwen inktpot geven dade al schraavend(schrijvend) vuurtluupt (=iemand bedreigen)
  13. Weerts: Gae môtj mich neet in miêne kraom schiête, vuurdet ich oetgewinkeltj bin (=Waar bemoei je je eigenlijk mee!!)
  14. Zeeuws: Voor niets (=vuur spék u'n bôône)
  15. Wetters: Toet toet zej den trein en de statie ree vuurt (=tut tut zei de trein en het station reed door)
  16. Bilzers: 't Vier laajmp nog (=Het vuur smeult nog)
  17. Waregems: 't vier vuinst noo (=het vuur smeult nog)
  18. Sjilvends: vuur noee en vuur ummer (=voor eens en voor altijd)
  19. Haags: Kèk nâh, da leg een klâh! Issie van mè of issie van jâh? (=Je bent een rund als je met vuurwerk stunt)
  20. Evergems: woar da ro'k es, est er vier (=geen vuur zonder rook)
  21. Waregems: zet de mooër of (=haal de fluitketel van het vuur)
  22. Heerlens: bitter vuur d'r monk is vuur 't hats gezonk (=wat bitter smaakt is gezond)
  23. Iepers: z'et fier in neur gat (=zij staat in vuur en vlam)
  24. Gents: allee treute, we zijme vuurt, ik zal eu thuis ne kier tuugen woar dat Belfort echt stoat (=kom schat, we gaan naar huis voor een romantische nacht)
  25. Munsterbilzen - Minsters: doeter nog mèr e sjupke boëvenop (=gooi nog maar wat olie op het vuur)
  26. Twents: hee hef 't vuur 't gat vuur (=hij heeft het te pakken (een griepje of zo))
  27. Twents: vuur gek en oonwies an goan (=ontzettend tekeer gaan)
  28. Overpelts: er is vuur in de schouw (=geboorte is nabij)
  29. Munsterbilzen - Minsters: doë bèn ich heileg van iëvertaajg (=daar durf ik mijn hand voor in het vuur steken)
  30. Munsterbilzen - Minsters: hae wis van wo hoot pijle maoke (=de kanonier stak het vuur aan 't lont)
  31. Sjilvends: va vuur aaf aan (=op nieuw)
  32. Heerlens: vuur kuukevleesj (=voor spek en bonen)
  33. Westerkwartiers: de kestanjes uut 't vuur hoal'n (=het gevaarlijke werk opknappen)
  34. Giethoorns: et is daor altied pik in 't vuur (=Het is daat altijd ruzie)
  35. Nuths: He.e schtuut tich vuur de knoke. (=Hij trapt van zich.)
  36. Westerkwartiers: 'n klein vlamke, 'n groot vuur (=kleine oorzaak, groot gevolg)
  37. Munsterbilzen - Minsters: hae kos zen haan wol ès verbranne (=de mijnwerker haalde de hete kolen uit het vuur)
  38. Bilzers: wae mét viër spiëlt, zal dër vïër vergon (=mensen die hun vingers branden, kunnen gewoon niet met vuur omgaan)
  39. Giethoorns: Daor is't altied pik in 't vuur (=Daar is het altijd ruzie)
  40. Westerkwartiers: doar stijt nog 'n potje op 't vuur (=daar worden nog plannen uitgebroed)
  41. Rijssens: nen plear vuur de plette krieg'n (=een klap op je voorhoofd krijgen)
  42. Oudenbosch: daor doede nie veul panne van op ut vuur (=dat levert nog niet veel op)
  43. Mestreechs: un pans vuur op te sjiete (Pvots) (=een buik om op te poepen)
  44. Rijssens: iej kuent heur vuur poas'n en peekstern kiek'n (=als je een vrouw onder de rok kon kijken)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen