Spreekwoorden met `kerk`

Zoek

17 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kerk`

  1. dat is van de Chinese kerk. (=dat is een gerucht.)
  2. de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
  3. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  4. de kerk midden in het dorp laten. (=het laten zoals het is)
  5. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  6. de reis is nog niet ten einde als men kerk en toren herkent (=geef niet op voor het doel geheel is bereikt)
  7. er naar uitkijken als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=iets vol verwachting tegemoet zien)
  8. genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
  9. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  10. in de kerk geboren zijn (=de deur open laten staan)
  11. in geen kerk of kluis komen (=niet godsdienstig zijn)
  12. oude kerken hebben duistere glazen. (=het zicht wordt minder als je ouder wordt)
  13. voor het zingen de kerk uit (=coïtus interruptus)
  14. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)
  15. zachte winters, vette kerkhoven (=zachte winters geven vaak aanleiding tot meer ziekten dan strenge winters)
  16. zo arm als een kerkmuis/kerkrat (=straatarm)
  17. zo hongerig als een kerkrat/kerkmuis (=heel hongerig zijn)

2 betekenissen bevatten `kerk`

  1. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  2. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)

50 dialectgezegden bevatten `kerk`

  1. 'k moe noar de vespers goan vandoage (=ik moet naar de kerk deze namiddag) (Evergems)
  2. 't is ne keirkuil, ne piljeirenbijter (=iemand die veel naar de kerk gaat) (Sint-Niklaas)
  3. aatëraan èn de kërk goên zitte (=niet opvallend aanwezig zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. As 't al tegegåat za nen hond de kèrk omvèr zjieëken (=Als iets niets meezit, zit het serieus tegen) (Zeels)
  5. as 't mar wower es , stut achter de kèrk geschraive (=daar valt aan te twijfelen) (Tiens)
  6. as ‘t moeëde is, gaon de kuuj nao de kèrk (=als het in de mode is, dan kan opeens alles) (Heitsers)
  7. at waor is zienge ze in de kerk (=het is maar de vraag of dat waar is) (Oudenbosch)
  8. bèste èn de kërk geboëre (=doe de deur dicht!) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. bi j wigestierd (=de kerk is vroeg uit) (Zeeuws)
  10. bij ut kruske de kerk uitgaon (=voortijdig vertrekken) (Brabants)
  11. bindu in de kerk gebore (=iemand laat de deur openstaan) (Riekevorts)
  12. Bisse in de kerk gebaore? (=Deur open laten staan) (Venloos)
  13. bist ien de kerk geboor'n (=als iemand de deur laat openstaan :) (Westerkwartiers)
  14. daa keirk (=Sint Niklaas kerk) (Sint-Niklaas)
  15. dae deej det zónger erg, prónt wie pater Manheim flaot (=iets onbewust doen; in de kerk mag je niet fluiten, maar toch schijnt pater Manheim dat wel eens in de kerk in Heitse gedaan te hebben, zonder dat hij daar erg in had.) (Heitsers)
  16. dae is ouch noeëts örges gewaesj as inne kèrk en oppe mäöle (=dat is iemand met weinig levenservaring) (Heitsers)
  17. dao zoodje 'n kêrk op bouwe, mer 't schiêthoês veltj d'r op um (=ten onrechte iemand vertrouwen) (Weerts)
  18. De Grote kerk mot doorut Zakkendragersstraatjie (=Een zware opgave (ook een synoniem voor 'bevalling')) (Dordts)
  19. De karik moet boven de euzen stoon (=De kerk moet boven de huizen staan) (Urkers)
  20. de kërk ènt midden haage (=wat toegeven omwille van de (huis-)vrede) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. De kerk is gróóter òs de toore (=De vrouw is groter dan haar man) (Texels)
  22. de kerk midd'n ien 't dörp loat'n (=leven en laten leven) (Westerkwartiers)
  23. de kerk ooëtj veer dat de klokke loeën (=coïtus interruptus) (Ninoofs)
  24. de kêrk oppe toeëre zette (=de zaak verkeerd aanpakken) (Weerts)
  25. de kugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen) (Westerkwartiers)
  26. de kuugel is deur de kerk (=de beslissing is genomen) (Westerkwartiers)
  27. de nieve keirk (=Onze Lieve Vrouw kerk) (Sint-Niklaas)
  28. De pastuur e zenne colman gemet (=Als de pastoor een volle schaal in de kerk heeft opgehaald (bijvoorbeeld wanneer er veel begrafenissen zijn) ) (Hoeilaart)
  29. den derde keir dat ich vër ët zinge de kërk autgoeng, moch ich nimei bènne en dan bèn ich noë ën aander kërk op zik gegon (=toen ik me de derde keer terugtrok, mocht ik niet meer binnen en ben ik op zoek gegaan naar een andere) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. Den scheeve tóre (=kerk van Schelle) (Schels)
  31. die ei 'n kérkboek versleeten of die weunt in de kérke (=Iemand die veel naar de kerk gaat (Zuid Beveland ) ) (Zeeuws)
  32. Die eit zôwat 'n kérkbanke versleten (=die veel naar de kerk gaat (Walchers ) ) (Zeeuws)
  33. die eit zôwat n'n bidstoel versleten (=iemand die veel naar de kerk gaat (Hulst ) ) (Zeeuws)
  34. die is in de kerke gebooren (=iemand die veel nar de kerk gaat (Axel ) ) (Zeeuws)
  35. eegut al geluit (=is het al tijd om naar de kerk te gaan) (Oudenbosch)
  36. erre keirkgank doen (=moeder die met haar kindje naar de kerk gaat als het een tiental dagen oud is) (Meers)
  37. Ge kunt der de kerk van Droesaat dee zien (=De koffie is te slap) (Opwijks)
  38. ge kunter oew eige waase en verschòòne (=er is niemand in de kerk) (Tilburgs)
  39. got-i-jè nor de kirke (=gaat hij naar de kerk) (Wetters)
  40. He-j is net zoeveul kerks a unnen hoond klippels (=Hij moet net zo min iets van de kerk hebben als een hond van een stok) (Zurriks)
  41. Heej is ien de kerk gebore (=Hij laat altijd de deuren open staan) (Wells)
  42. hij heb 'n beest op z'n rug (=hij gaat niet naar de kerk) (beverwijks)
  43. hij komt ien gien kerk of klooster (=hij vertoont zich nergens) (Westerkwartiers)
  44. hij komt ien kerk noch klooster (=je ziet hem nooit ergens) (Westerkwartiers)
  45. hil de kèèrek zaat vol (=de kerk zat helemaal vol) (Tilburgs)
  46. ie stoeng voet borretje (=voor in de kerk) (Zeeuws)
  47. ien de kèrk gebaore zien (=De deuren niet echter zich dichtdoen) (Genneps)
  48. in die kèèrek is plòts genogt (=in die kerk is genoeg plaats) (Tilburgs)
  49. in Steenbaarge naor de kerk gewiest zijn (=niet in de mis geweest zijn) (Oudenbosch)
  50. je moet'n de kerk midd'n ien 't dörp loat'n (=iedereen het zijne gunnen) (Westerkwartiers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen