Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


40 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hart`

  1. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  2. de hand over zijn hart strijken (=voor één keer toestaan)
  3. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  4. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  5. een gouden hart hebben (=heel aardig/lief zijn)
  6. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  7. een hartje zonder zorg (=een zorgeloos iemand)
  8. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  9. een pak van het hart (=een grote opluchting)
  10. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  11. hartzeer van iets hebben (=er geestelijk onder lijden)
  12. heb het hart eens (=heb de moed om dat te doen. (Eigenlijk: als je dat doet, zal ik je ongenadig straffen))
  13. het hart ergens aan ophalen (=ergens van genieten)
  14. het hart hoog dragen (=erg trots zijn)
  15. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  16. het hart op de goede plaats hebben (=een oprecht en menslievend karakter hebben)
  17. het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
  18. het hart op de rechte plaats hebben (=eerlijk zijn)
  19. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  20. het hart zinkt hem in de schoenen (=hij verliest alle moed)
  21. hoe hoger het hart, hoe lager de ziel (uit het Fries) (=hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
  22. iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
  23. iemand een warm hart toedragen (=iemand steunen)
  24. iets na aan het hart hebben liggen (=er erg mee begaan zijn)
  25. iets niet over zijn hart kunnen krijgen (=ergens niet toe kunnen komen of ergens op gesteld zijn)
  26. iets op het hart hebben (=iets te vertellen hebben)
  27. in hart en nieren (=vanuit volle overtuiging)
  28. je hart luchten (=iemand over je problemen vertellen)
  29. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  30. je hart vasthouden (=ernstig zorgen maken, bang zijn dat het mis gaat)
  31. met de hand op het hart (=eerlijk en gemeend)
  32. met hart en ziel (=met plezier en passie)
  33. om het hart slaan (=schrik bezorgen)
  34. op het hart binden (=met de grootste nadruk zeggen)
  35. op het hart drukken (=met de grootste nadruk zeggen)
  36. ter harte nemen (=het zich aantrekken)
  37. uit het oog, uit het hart (=de aandacht voor iemand verliezen, als die persoon niet meer in de nabijheid is)
  38. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
  39. waar het hart vol van is, loopt/vloeit/stroomt de mond van over (=waar men heel erg mee bezig is, daar wil men over praten)
  40. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)

9 betekenissen bevatten `hart`

  1. Je bent om op te eten (met boter en suiker). (=Beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
  2. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig woordje gesproken worden)
  3. het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
  4. met open armen ontvangen (=erg hartelijk ontvangen worden)
  5. door merg en been gaan (=hartverscheurend zijn)
  6. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  7. ex animo (=van harte)
  8. hoe groter geest hoe groter beest (=wel verstandig, maar daarom niet goedhartig)
  9. ruwe bolster, blanke pit (=ziet er sterk uit, maar heeft een goed hart)

Het dialectenwoordenboek kent 60 spreekwoorden met `hart`

  1. Kotnaaks: Men het klopt lek nen doewe vougel ze gat (=hartklopping)
  2. Gents: beu verlied (=hartstikke beu)
  3. brabants: dagge bedaankt zij, dah witte war (=hartstikke bedankt)
  4. Weerts: Hae es zoeë dûl as 'n kroekér-raad (=hartstikke gek)
  5. Rotterdams: je hartharen branden (=Je mond branden)
  6. Rotterdams: Je harthare verbrande (=Je mond verbranden)
  7. Westerkwartiers: 'n harteg woordje met één proat'n (=iemand streng toespreken)
  8. Evergems: 't Es maij verliët (=Ik ben het hartstikke beu)
  9. Westerkwartiers: dat is dij van harte gund (=gunnen - dat is je van harte gegund)
  10. Sittards: Ein moel wie ein sjuurpaort en ein hertje wie ein ert (=Een grote mond en een klein hartje)
  11. Sint-Katelijne-Waver: Groêt bakkes en eu klaa hétteke (=Grote mond en een klein hartje)
  12. Aalsters: gralek noaig oontrekken (=iets ter harte nemen)
  13. Waregems: la'en link 'n paptoarte (=gul en hartelijk lachen)
  14. Bergs: en dagge bedankt zijt da witte (=heel hartelijk bedankt)
  15. Drents: De goede mèns lacht met 't harte, de kwaoie met de mond (=De goede mens lacht met het hart, de slechte met de mond)
  16. Sint-Niklaas: 'k gô mè ertus (koekus, kloavurs, schippus) uitgoan (uitkommen) (=ik ga met harten(......) beginnen spelen (kaartspel))
  17. Evergems: Dien hertefreiter eik ’t gat van den temmerman getuend! (=Die hartenvreter heb ik duidelijk gemaakt dat het definitief uit is. ‘t Gat van den temmerman = de deur!)
  18. Steins: Doe höbs de kop los !! (=Jij bent hartstikke gek!!)
  19. Steins: Dao verhang ich mich veur (=Daar ben ik hartstikke gek op (meestal lekker eten))
  20. Westerkwartiers: hij het moar 'n klein hartje (=hij heeft een groot woord maar is week van binnen)
  21. Evergems: azoan een harte zoale (=het is een hard zadel)
  22. Kinrooi: Te min hart maaktj meistal misbruuk van teveul hart! (=Te weinig hart maakt meestal misbruik van te veel hart!)
  23. Munsterbilzen - Minsters: baukpaajn hëbbe (=pijn in het hart hebben)
  24. Munsterbilzen - Minsters: spaaj ët mér traut (=lucht je hart maar)
  25. Erps: immant tergen (=iemand op zijn hart trappen)
  26. Zeeuws: ie ei zn halle us flienk uut e spohen (=hart gelucht)
  27. Nieuwerkerks: a es ni controeëren (=hij is nniet slecht van hart)
  28. Liedekerks: Zwiejep in'oak (=hart schot in de bovenhoek)
  29. Waregems: 'n erte van koukebrooëd (=goed hart)
  30. Nieuwerkerks: a es ni controeëren (=hij is niet slecht van hart)
  31. Munsterbilzen - Minsters: get on zene meteur höbbe (=een zwak hart hebben)
  32. Munsterbilzen - Minsters: et traut spaaje (=zijn hart luchten)
  33. Brakels: iet oan zijne motuir èn (=iets aan zijn hart hebben)
  34. Huizers: Lieve hart! (=Lieve help!)
  35. Lichtervelds: mn êrte klopt in me keele (=mijn hart bonst van de schrik)
  36. Lopiks: ff naar de mazzel (=naar t groene hart gaan)
  37. Munsterbilzen - Minsters: hae krabde tottet bloed traut zeekde (=de dermatoloog had eelt op zijn hart)
  38. Munsterbilzen - Minsters: baeter kaa haan dan e kaat hat (=krijgen vult de handen, geven het hart)
  39. Weerts: Geine duûvel op zien hert laote börste (=Van zijn hart geen moordkuil maken)
  40. Bilzers: dae hét al ferm koste op zen hat (=die heeft al eelt op zijn hart)
  41. Sint-Niklaas: een lustige weef (=een weduwe die het niet aan haar hart laat komen)
  42. Waregems: ie es ter gerust in (=hij laat het niet aan zijn hart komen)
  43. Arnhems: Ik heb een geel zwert hert (=Ik heb een geel zwart hart)
  44. Genneps: den keutel dicht bij 't hart hèbbe (=Angstig zijn)
  45. Munsterbilzen - Minsters: das vür daud te valle (=daar krijg ik het van aan mijn hart)
  46. Munsterbilzen - Minsters: doë wiën ich nie goed van, doë kraajg ich et on men hat van (=dat is slecht voor mijn hart)
  47. Bilzers: goei gedaachte koëme raech auttet hat (=gebruik je verstand met je hart erbij)
  48. Fries: Haw it hert ris yn 'e bealch (=Heb het hart eens in je lichaam)
  49. Munsterbilzen - Minsters: hae hèt get on zene meteûr (=er mankeert wat aan zijn hart)
  50. Munsterbilzen - Minsters: nen daog zonder laach, ésne verloeëre daog (=lachen is muziek voor het hart)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen