Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


40 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `blij`

  1. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  2. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  3. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  4. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  5. achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
  6. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  7. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  8. altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  9. bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
  10. bij de tekst blijven (=bij het oorspronkelijke plan blijven)
  11. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  12. bij zijn positieven blijven (=blijven opletten)
  13. binnen de perken blijven (=zodanig beperkt blijven dat het niet te veel overlast of schade veroorzaakt)
  14. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  15. botten blijven platvis (=als je dom bent dan blijf je dat)
  16. buiten schot blijven (=niet worden aangetast)
  17. buiten spel blijven (=(willen) proberen niet betrokken te zijn)
  18. daar kun je ketelaar van blijven (=dat zal niets opbrengen)
  19. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  20. eens gezegd, blijft gezegd (=als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren)
  21. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  22. er koksgast van blijven (=er niets van krijgen , er geen vooruitgang mee maken)
  23. het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
  24. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  25. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  26. in gebreke blijven (=zijn taak (belofte) niet uitvoeren)
  27. men moet van zijn kantje blijven (=men mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  28. met de gebakken peren blijven zitten (=voor de moeilijkheden opdraaien)
  29. met de klompen van het ijs blijven (=zich met iets niet inlaten)
  30. met lege handen achterblijven (=niets meer hebben)
  31. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  32. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  33. op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld; gierig))
  34. Op twee paarden blijven rijden. (=Men kan geen keus maken)
  35. op zee blijven (=op zee vergaan/omkomen)
  36. op zijn post blijven (=niet weggaan)
  37. schoenmaker blijf bij je leest (=hou je niet bezig met dingen waar je niets van weet)
  38. van koper blijf je proper en van ijzer word je niks wijzer (=koper is veel waard, ijzer niet)
  39. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  40. wel thuis kunnen blijven (=het wel kunnen vergeten)

73 betekenissen bevatten `blij`

  1. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  2. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  3. zijn snor drukken (=afwezig blijven / Zijn werk niet doen)
  4. botten blijven platvis (=als je dom bent dan blijf je dat)
  5. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  6. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  7. recht door zee gaan (=altijd eerlijk blijven/zijn)
  8. bij de tekst blijven (=bij het oorspronkelijke plan blijven)
  9. in zijn schik zijn (=blij en opgewekt zijn)
  10. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  11. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  12. bij zijn positieven blijven (=blijven opletten)
  13. je kop erbij houden (=blijven opletten, aandacht vasthouden)
  14. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  15. dat houdt me op de been (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol)
  16. Het hinkende paard komt er achteraan. (=De bezwaren komen achterop. Na blijdschap volgt iets minder aangenaams)
  17. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort)
  18. rijd voort maar zie om (=doe verder maar blijf opletten)
  19. rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
  20. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  21. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  22. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  23. voor ogen houden/staan (=er steeds rekening mee blijven houden)
  24. in de wolken zijn (=erg blij en gelukkig zijn)
  25. in zijn nopjes zijn (=erg blij ergens mee zijn)
  26. de vlag uitsteken (=ergens erg blij mee zijn)
  27. voor anker gaan (=ergens gaan wonen en langer verblijven)
  28. als sneeuw voor de zon verdwijnen (=ergens niets van over blijven)
  29. ergens zijn tenten opslaan (=ergens verblijven, zich ergens vestigen)
  30. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  31. Eten en drinken houdt lijf en ziel bijeen. (=Eten en drinken blijven levensbehoeften.)
  32. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  33. geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
  34. een Keulse reis doen (=heel lang wegblijven)
  35. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
  36. het is zo lang als het breed is (=het blijft hetzelfde, hoe je het ook bekijkt)
  37. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  38. hij heeft bot gegeten (=hij is dom geboren en dat zal hij wel blijven ook)
  39. jong geleerd is oud gedaan (=hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven)
  40. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  41. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  42. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  43. als winnaar/beste uit de bus komen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  44. ik ben geen uithangbord (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan)
  45. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er altijd maar over blijven praten)
  46. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  47. de aanhouder wint (=je wint als je maar lang genoeg blijft proberen)
  48. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zich niet door de spanning laten meeslepen)
  49. met de hakken in het zand (=koppig blijven)
  50. er nachtwerk van maken (=laat opblijven)

Het dialectenwoordenboek kent 201 spreekwoorden met `blij`

  1. Gronings: blijhamster soepmbrijpenzen (=blijham)
  2. Diesters: blijfter (me u poeëte) vanaf (=blijf er af)
  3. Lichtervelds: je zie ze zelvn nie gêirn (=hij is zelden blijgezind)
  4. Bilzers: de kons baeter raud wiëne as grien blijve (=wie niet waagt blijft maagd)
  5. Eekloos: thuis blijvers kerre (=huisarrest)
  6. Bilzers: de zosset zégge (=blijkbaar)
  7. Munsterbilzen - Minsters: de kons baeter e blooke loope asse grientsje blijve (=wie niet waagt, blijft maagd)
  8. Bilzers: opzen vingers mauge blijve fleete (=op zen honger blijven zitten)
  9. Gents: z'hee heur een buile geluupe (=ze is in blijde verwachting)
  10. Sint-Niklaas: zis é possiesie (=ze is in blijde verwachting)
  11. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen twei peitsjes opte grond blijve (=heel gewoontjes en zichzelf blijven)
  12. Westerkwartiers: woar blifst nou ? (=blijven - waar blijf je nou ?)
  13. Eekloos: In Eéklu bakn ze spekn die rekn in aon de zakn blijvn polakn (=In Eeklo bakken ze karamels die uitrekken en aan de zakken blijven plakken)
  14. Lochristis: zij' plakke blijfd 'angn (=hij valt in herhaling)
  15. Westerkwartiers: dat ken schienboar niet aans (=dat kan blijkbaar niet anders)
  16. Aalters: dzjakkeleurn teegn da der blijt'dè van komt (=ravotten tot wenens toe)
  17. Munsterbilzen - Minsters: dae ès gevalle en blijve botse (=hij is krankjorum)
  18. Oudenbosch: laotoeweige nie blijmaoke meejun dooie mus (=laat je niets wijsmaken)
  19. Bilzers: blijfter mét zen tengels vanaof ! (=Handen af !)
  20. Oudenbosch: op oewen onger blijve (=niets te eten krijgen)
  21. Arnhems: Mooi werruk! (=blij zijn)
  22. Steins: blieve plekke (=ergens lang blijve hangen (in de kroeg))
  23. Neerharens: boe blijf ger het hoole (=waar blijven jullie het vandaan halen)
  24. Kerkdriels: kzij blij toe (=ik ben maar wat blij)
  25. Walshoutems: gengig blijven (=In beweging blijven)
  26. Waalwijks: ''kek mar uit mee oew gek bakkes, dolluk sloi ut klokske van Rome en dan blijvet zo ston'' (=Bekken trekken)
  27. Booms: bleftoraf (=blijf daarvan af)
  28. Munsterbilzen - Minsters: haatech koesj (=blijf rustig)
  29. Munsterbilzen - Minsters: poeël haage (=blijven wachten)
  30. Bilzers: blijf van mich aof (=blijf van mijn lijf)
  31. Bilzers: alleen stoem minse blijve loemp (=nooit te blond om te leren)
  32. Bildts: skytte in 'n cadeautsy (=blij maken met niks)
  33. kortemarks: zn gat schuufelt (=hij is heel blij)
  34. Sint-Niklaas: zèn toot blijve roeren (=niet kunnen ophouden met praten)
  35. Bilzers: Manne blijve toch altijd kénder, mér hun spiëlgoed wiëd almër dierder... (=Mannen zijn als kleine kinderen)
  36. Munsterbilzen - Minsters: dae és blijve tèkke ! (=hij is op zijn kop gevallen en nog niet weinig)
  37. Oudenbosch: ge gao nie blijve plakke (=je moet op tijd naar huis komen)
  38. brabants: gu mot mee oe poten van m'n jong blijve (=je moet van mijn kind afblijven)
  39. Sint-Katelijne-Waver: Toet mem sjoos (=Dat blijft allemaal hetzelfde)
  40. Zeeuws: tis loead om ouwiesder (=het blijft gelijk)
  41. West-Vlaams: Woa bluuft da wuufe ? (=Waar blijft die vrouw ?)
  42. Opglabbeeks: blief mer uut zien klauwe (=blijf uit zijn buurt)
  43. Giethoorns: A-j 't platte van de voeten maar onder joe ollen (=blijf met de voeten op de grond staan wees verstandig en nuchter blijven)
  44. Bilzers: tés geen daudzin métten sjaun vroo te sloëpe, waol dërter wakker lengs te blijve ligge (=gemiste kansen nemen geen keer)
  45. Bilzers: de bés nie alleen op zene kop gevalle, mér ook nog blijve toekke (=je bent nog gekker dan gek)
  46. Prinsenbeek: doar meude blij meej zijn (=wees er maar blij mee)
  47. Urkers: zo bleede as blik (=ergens heel blij mee zijn)
  48. Fries: wês altyd bliid (=wees altijd blij)
  49. Turnhouts: In de wiggel blaaiven (=Bezig blijven)
  50. Westerkwartiers: bist bliede ? (=ben je blij ?)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen