Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


88 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `komen`

  1. aan beurt komen (=aan werk geraken)
  2. aan de bak komen (=aan de beurt komen; een baan krijgen)
  3. aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
  4. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  5. aan zijn gerief komen (=vinden wat men nodig heeft (inz. seksuele behoeften))
  6. aan zijn trekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  7. als winnaar/beste uit de bus komen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  8. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  9. Beslagen ten ijs komen. (=Goed voorbereid zijn)
  10. beter voorkomen dan genezen (=je kan beter iets voortijdig voorkomen dan er later de gevolgen van inzien)
  11. boven water komen / boven water halen (=tevoorschijn komen / tevoorschijn halen, verschijnen, opduiken)
  12. daar kan niets van inkomen (=dat zal niet lukken)
  13. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  14. de gaande en komende man (=iedereen die komt opdagen)
  15. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  16. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  17. door de kajuitsramen aan boord komen (=onmiddellijk bevelhebber worden, zonder eerste ondergeschikte te zijn geweest)
  18. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  19. een kink in de kabel komen (=iets tussen komen)
  20. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  21. er is geen doorkomen aan (=je geraakt er niet door)
  22. er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
  23. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  24. ergens bekaaid (van) afkomen (=een te lage prijs ervoor krijgen)
  25. ergens kunnen inkomen (=het wel kunnen begrijpen)
  26. ergens mee voor de draad komen (=zeggen wat de precieze bedoeling is)
  27. eruit komen (=een oplossing vinden)
  28. handen te kort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  29. het moet uit de lengte of uit de breedte komen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  30. Het paard moet tot de kribbe komen. (=Wie belang heeft bij een zaak moet er zelf op uit gaan)
  31. iemand in het naadgaren komen (=iemand erg hinderen)
  32. iemand zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  33. iemands eer te na komen (=iemand beledigen - iemands naam aantasten)
  34. in een goed blaadje proberen te komen (=een goede reputatie proberen te verkrijgen)
  35. in geen kerk of kluis komen (=niet godsdienstig zijn)
  36. in het gedrang komen (=met moeilijkheden te maken krijgen)
  37. in het gevlij komen (=doen wat iemand graag ziet om in de gunst te komen)
  38. in iemands kraam te pas komen (=iets wat iemand nodig had)
  39. in zwang komen / raken (=iets wordt een modeverschijnsel)
  40. kan uit Nazareth iets goeds komen? (=wanneer iemand een bepaalde opvoeding heeft gehad kan daar niks goeds van verwacht worden)
  41. komen als een dief in de nacht (=onverwacht komen)
  42. komen met de paal als het brood in de oven is (=te laat komen)
  43. man met de hamer tegenkomen (=totaal uitgeput geraken)
  44. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  45. Met beslagen paarden op het ijs komen. (=Goed voorbereid zijn voor zijn taak)
  46. met de klompen op het ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
  47. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  48. met de nachtschuit komen (=laat komen / iets vertellen dat iedereen al weet)
  49. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  50. met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)

137 betekenissen bevatten `komen`

  1. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  2. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen)
  3. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
  4. aan de bak komen (=aan de beurt komen; een baan krijgen)
  5. over de drempel komen (=aan huis komen)
  6. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  7. in de lucht zitten (=algemeen voorkomen)
  8. geld stinkt niet (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan)
  9. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  10. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  11. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  12. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  13. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  14. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  15. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  16. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niemand te weten komen)
  17. Het hinkende paard komt er achteraan. (=De bezwaren komen achterop. Na blijdschap volgt iets minder aangenaams)
  18. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  19. de kraaien zullen het uitbrengen (=de waarheid zal aan het licht komen)
  20. in het gevlij komen (=doen wat iemand graag ziet om in de gunst te komen)
  21. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden komen)
  22. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  23. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  24. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  25. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  26. in de papieren lopen (=duur uitkomen, veel geld kosten)
  27. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een klein inkomen hebben)
  28. een paar mensen optrommelen (=een paar mensen laten komen)
  29. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  30. het kind bij de naam noemen (=eerlijk voor de mening uitkomen)
  31. goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
  32. tussen twee stoelen in de as vallen (=er bekaaid vanaf komen)
  33. er komen met krabben en bijten (=er met heel veel moeite komen)
  34. tegen de paal lopen (=er slecht vanaf komen)
  35. er zijn maal wel mee kunnen doen (=er wel mee toekomen)
  36. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  37. de kraag kosten (=ergens bij om het leven komen)
  38. in de termen vallen (=ergens in aanmerking voor komen)
  39. zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later))
  40. iets niet over zijn hart kunnen krijgen (=ergens niet toe kunnen komen of ergens op gesteld zijn)
  41. onder de schoenzolen schrijven (=ergens niets van terecht komen)
  42. ergens verzeild raken (=ergens onbedoeld terechtkomen)
  43. zijn kruk ergens tussen steken (=ergens ter hulp komen)
  44. ergens een balletje over opgooien (=ergens voorzichtig over beginnen te praten om erachter te komen wat anderen ervan vinden)
  45. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  46. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  47. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  48. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  49. op een strowis komen aandrijven (=helemaal berooid en arm ergens komen)
  50. het is er zo veilig als vlees in een hondenkot (=het is er volkomen onveilig)

Het dialectenwoordenboek kent 136 spreekwoorden met `komen`

  1. Waarschoots: ie es nie thalvent de broek (=niet toereikend, te kort komend)
  2. Oudenbosch: daor kunde gij gewoon mee praote ennun potje bier mee drienke (=helemaal niet vreemd hoewel van ver komend)
  3. Bilzers: een van diës (=een van de komende dagen)
  4. Lovendegems: op zijn pleuje komen (=op zijn effen komen*)
  5. Mestreechs: diech un piep raoke (=bedrogen uit komen)
  6. Munsterbilzen - Minsters: van stroeët geraoke (=aan een lief komen)
  7. Turnhouts: 't Is koek en aai (=Goed overeen komen)
  8. Bilzers: dasse daudgeboëre kénd (=daar kan niets van komen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: énnen affront valle (=in verlegenheid komen)
  10. Boakels: aachterum is 't kermis (=je kunt gerust achterom komen)
  11. Bredaas: op de klep vallen (=komen eten)
  12. Leuvens: van den tèts komme (=van pas komen)
  13. Bilzers: n kaar te laot koëme (=veel te laat komen)
  14. Munsterbilzen - Minsters: on ze gerief koeëme (=zijn trekken komen)
  15. Lichtervelds: ze zyn gêirn by de bènde (=ze komen graag samen)
  16. Gronings: van de Eems in de Dollerd komen (=van de regen in de drup komen)
  17. Heezers: tis op goei komende weeg (=het komt goed)
  18. Bergs: Wete war 't henneke te nest gaat (=Achter de waarheid komen)
  19. Oudenbosch: tis wir oremus (=de genade moet weer van bovenaf komen)
  20. tervurens: kom mo in maain groeb (=jij mag er bij komen)
  21. Katwijks: d'r beknaisd vanof komme (=met veel geluk ergans vanaf komen)
  22. Gents: mee ne zwier-la-fleur (=met veel zwier komen afgestapt)
  23. Westerkwartiers: de endjes net an'n anner kenn'n knupp'n (=met moeite rond kunnen komen)
  24. Westerkwartiers: zij hemm'n naarg'ns verlet van (=zij komen niets tekort)
  25. Lovendegems: er deure komen (=komen opdagen*)
  26. Munsterbilzen - Minsters: ze raaje mekan vër niks (=de wielrenners komen niet meer rond met hun loon)
  27. Bilzers: Daai stôse zin ver allang verbij (=Daar komen we niet meer op terug)
  28. Westerkwartiers: van 'e wiend ken'j niet leev'm (=er moet wel geld op de plank komen)
  29. Munsterbilzen - Minsters: doë zit get te brieë da nie nermaol ès (=er zit een ziekte aan te komen)
  30. Bilzers: de wèèg noë den hiemel es bergop, dae noë de hel lûp bergaof (=is moeilijk in de hemel te komen)
  31. Brakels: \ (=je moet er maar op komen)
  32. Westerkwartiers: wel den leeft, den zörgt (=maak je geen zorgen om de dingen die komen)
  33. Sallands: Van 'n kaole karmse thuus kommen. (=Van een koude kermis thuis komen.)
  34. Lochristis: é es gelijk de cloons, é komt als 't gedoin es (=te laat komen om mee te helpen)
  35. brabants: het is op goei komende wegen (=het schiet al aardig op)
  36. Lebbeeks: baar'n: Vé de bare' kommen (=Te voorschijn komen)
  37. Lutters: ze krie:gt nog verlet an dom'm (=er komen straks nog te weinig mensen die niet doorgeleerd hebben)
  38. Munsterbilzen - Minsters: stepke vür stepke, zau kumpste oppet trepke (=zachtjes aan en niet te snel, zo komen we d'er wel)
  39. Venloos: Kóm maar binne, dao hingk d'r genne achter de deur (=Wordt gezegd tegen iemand die aarzelt om binnen te komen)
  40. Nieuwkuijks: herrus koomen (=hierheen komen)
  41. Achterhoeks: Tied van kommen, tied van gaon. Tied um effen bi-j stille te staon. (=Tijd van komen, tijd van gaan. Tijd om even bij stil te staan.)
  42. Tilburgs: vur un goej en lèkker mènneke gonge de mèskes vruuger ter bèèvert naor ut Meuleschots, St. Anneke's kepèlleke. (=Om aan de man te komen gingen vroeger (maar ook nu nog) de dames op bedevaart naar het Sinte Anna's kapelleke te Molenschot)
  43. Sint-Niklaas: moete veurkommen (=bij de rechter moeten komen)
  44. Evergems: straks est schreemmuile kirmesse (=daar komen problemen van)
  45. Tiens: Dea es oup zenne zaap geweést (=Dronken thuis komen)
  46. Boakels: hai kôs nie komme (=hij kon niet komen)
  47. Westerkwartiers: de haand an 'e ploeg sloag'n (=in aktie komen)
  48. Gents: g'e meug nie koome (=je mag niet komen)
  49. Heerlens: um-koome (=op bezoek komen (informeel))
  50. Liwwadders: over ut mot komme (=ongelegen (op bezoek) komen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen