Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


90 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zien`

  1. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  2. Abraham gezien hebben. (=50 jaar of ouder zijn.)
  3. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  4. apen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  5. dat horen en zien vergaat (=erg luid)
  6. de hakken laten zien (=zich uit de voeten maken.)
  7. de hielen laten zien (=weggaan, vluchten)
  8. de horens laten zien (=zich vijandig tonen)
  9. de kans schoon zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  10. de pest aan iets (gezien) hebben (=er een hekel aan hebben)
  11. de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen (=over kleine fouten van een ander vallen, terwijl de eigen grote fouten niet worden gezien)
  12. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  13. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  14. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  15. dode honden bijten niet (al zien ze lelijk). (=van doden is geen gevaar te duchten.)
  16. door de bomen het bos niet meer zien (=door alle details het overzicht verliezen.)
  17. door de bril van een ander zien. (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  18. door de vingers zien (=toelaten, vergeven)
  19. door een bril zien (=een beetje genuanceerd bekijken)
  20. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  21. er geen gat meer in zien (=geen oplossing meer kunnen bedenken)
  22. er gezien zijn als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  23. er uitzien als de dood van ieper (=er slecht uitzien)
  24. er uitzien als door een ringetje gehaald (=er keurig uitzien)
  25. er uitzien als een parnas (=er goed uitzien)
  26. er uitzien als melk en bloed (=er gezond uitzien)
  27. er uitzien alsof men door een ringetje gehaald was (=er keurig uitzien)
  28. er uitzien om door een ringetje te halen (=er keurig uitzien)
  29. ergens als een berg tegen opzien. (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid.)
  30. ergens geen been in zien (=ergens geen probleem in zien, bv in te liegen)
  31. ergens geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  32. ergens geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  33. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  34. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)
  35. eruit zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
  36. eruit zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, harkerig uitzien)
  37. geen hand voor ogen zien (=zich in totale duisternis (of dichte mist) bevinden)
  38. geen steek zien. (=niets zien.)
  39. gezien mogen worden (=er goed uitzien)
  40. groen zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  41. groen zien van jaloezie (=heel erg jaloers zijn )
  42. het achterste van je tong (niet) laten zien. (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.)
  43. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=geheim moeten blijven)
  44. het levenslicht aanschouwen/zien. (=geboren worden.)
  45. het licht doen zien. (=publiceren)
  46. het licht zien (=geboren worden, ontstaan)
  47. het licht zien. (=begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep.)
  48. het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
  49. horen zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
  50. iemand (niet) voor vol aanzien (=(niet echt) naar iemand luisteren wanneer iemand meepraat)

96 betekenissen bevatten `zien`

  1. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt.)
  2. aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  3. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  4. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien.)
  5. als de maan vol is schijnt ze overal. (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien.)
  6. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  7. apen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  8. leeuwen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  9. bij iemand in een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  10. bij iemand op een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  11. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar tch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  12. zo zwart zien als een moor (=bijzonder zwart zien)
  13. Kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek zien)
  14. water bij de wijn doen. (=compromissen zien te sluiten.)
  15. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  16. spitsroeden lopen (=de fout onder ogen moeten zien en daarop uigelachen worden)
  17. ergens geen kijk op hebben (=de oplossing niet zien)
  18. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  19. spoken zien (=dingen zien die er niet zijn)
  20. de ogen openen (=doen inzien)
  21. recht praten wat krom is. (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.)
  22. liefde is blind. (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  23. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij.)
  24. te koop lopen/staan. (=er bespottelijk uitzien.)
  25. eruit zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
  26. wolf in schaapskleren (=er braaf uitziend maar in werkelijkheid heel gevaarlijk)
  27. eruit zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, harkerig uitzien)
  28. een hard hoofd in iets hebben (=er geen oplossing in zien)
  29. ergens geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  30. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  31. er uitzien als melk en bloed (=er gezond uitzien)
  32. er uitzien als een parnas (=er goed uitzien)
  33. gezien mogen worden (=er goed uitzien)
  34. door een ringetje halen (kunnen) (=er goed verzorgd uit zien)
  35. er uitzien als door een ringetje gehaald (=er keurig uitzien)
  36. er uitzien alsof men door een ringetje gehaald was (=er keurig uitzien)
  37. er uitzien om door een ringetje te halen (=er keurig uitzien)
  38. om door een ringetje te halen (=er keurig uitziend)
  39. geen plaatje maken (=er niet geweldig uitzien)
  40. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)
  41. er uitzien als de dood van ieper (=er slecht uitzien)
  42. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in zien)
  43. ergens oren naar hebben (=er wel iets in zien)
  44. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  45. ergens oog voor hebben (=ergens de waarde van inzien of aandacht voor hebben)
  46. er een plasje overheen doen. (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, die wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is.)
  47. ergens geen been in zien (=ergens geen probleem in zien, bv in te liegen)
  48. ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
  49. ergens kind in huis zijn (=ergens graag gezien zijn)
  50. ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=ergens verschrikkelijk tegen opzien)

Het dialectenwoordenboek kent 572 spreekwoorden met `zien`

  1. Walshoutems: zenne peire zieng (=Af zien)
  2. Genneps: zienen ègge naod nääjje (=Eigengereid zijn)
  3. Steins: get aan ziene bölles höbbe (=ergens zorgen over hebben)
  4. Weerts: e good vêrke vritj ziene troog leeg (=geen eten weggooien)
  5. Steins: Dae ruukt neet gaer ziene eige zweit (=Iemand die erg lui is)
  6. Budels: zienen haon moet boven kraaien (=hij moet altijd gelijk hebben)
  7. Bargoens: tot in de pruimentijd (=tot ziens)
  8. Stellingwarfs: tot kiek es (=tot ziens)
  9. Antwerps: 'kem eur alle oeke van de slopkamer late zieng (=ik he haar alle hoeken van de kamer laten zien, wilde sex gehad)
  10. Lichtervelds: toet in dn droaj (=tot ziens)
  11. Zichers: Haddig he (=Tot ziens)
  12. West-Vlaams: ziene keldre valt in (=Hij boert)
  13. Lauws: j' i ziene leeple weggesmeten (=Hij is gestorven)
  14. Genneps: Iemes ien ziene nék schiete (=Iemand bedriegen)
  15. Izegems: j'eit ziene lepel weggesmeten (=hij is gestorven)
  16. Drents: Tot een aandermaol; tot 'n anermaol (=Tot ziens)
  17. Roois (Sint-Oedenrode): Houdoe wônne! (=Tot ziens he!)
  18. Roeselaars: je peist dat de gebradde kiekens in ziene mond goan vliegen (=hij denkt dat alles vanzelf gaat)
  19. Veurns: nie goeëd bie de zien'n zien (=niet goed wijs zijn)
  20. Genneps: kieke alsof hij ziene lètste keutel geschéte hèt (=Verloren, en moedeloos zijn)
  21. Mestreechs: boe abraham ziene mostard haolt (=waar abraham zijn mosterd haalt)
  22. Bilzers: waet laeve bemint és ziëker nie ziende blind (=het leven is mooi voor hen die er de schoonheid van inzien)
  23. Antwerps: Ge zujt'em nogal zieng zieng as 'k em da doeng doeng mè se goe goed ! (=Dit zal hij niet graag doen !)
  24. Vriezenveens: ziene katte is biätter as aondermaons kou (=Het zijne is altijd beter dan dat van een ander)
  25. Weerts: dae hieët de siês uut ziene kop grujje (=iemand die veel facelifts heeft gehad)
  26. Mestreechs: heer houwt ziech ziene gielis vól friete (=hij werkt heel wat friete naar binnen)
  27. Rotterdams: De mazzel (=Tot ziens)
  28. Twents: mooi daj d'r wes bunt en wier komm'n (=fijn dat je er was en tot ziens)
  29. Steins: dae huit zich get oet ziene nek (=Die kun je niet alles geloven)
  30. Ronsisch: Iemand aan ziene collei schieren (=Iemand te pakken krijgen)
  31. Rekem: op ziene kroemenak dragen (=op zijn schouders dragen)
  32. Oudenbosch: at waor is zienge ze in de kerk (=het is maar de vraag of dat waar is)
  33. Oudenbosch: gij ziengt tut mooi , gij kun me wa (=jij weet het mooi te vertellen)
  34. Weerts: de deugd van e vêrke is pas nao zienen doeëd te mêrke (=na je dood word je pas erkend)
  35. Twents: Wee ziene oogn nich lös döt, möt vaak de knip lös doon (=Wie z'n ogen niet openhoudt, moet vaak de portemonnee trekken)
  36. Steins: get aan ziene fits höbbe (=ergens zorgen over hebben)
  37. Waregems: ie woa nie te ziene (=hij was niet aanwezig (tactisch))
  38. Genneps: Óp ziene pé.ns kriege (=Op zijn donder krijgen)
  39. Weerts: eeme op ziene dèk houwe (=slaag geven)
  40. Genneps: Alles op zienen tied en boekende koe.k ien d'n herfst (=alles op zijn tijd)
  41. Kerkdriels: tot de pruimetijd wor (=tot ziens)
  42. Deinzes: de leude (=tot ziens, amuseer jullie nog)
  43. Zaans: Je ziene der oit as een voil hemd (=Je ziet bleek, pips)
  44. Oudenbosch: da zien we tege dieje tijd wel (=dat zien we later wel)
  45. Sint-Niklaas: mè geen ogen te zien (=nergens te zien zijn)
  46. Rotterdams: hee Lange, issut koud bofe (=een lange kerel zien)
  47. Evergems: Bleuzn lijk 't zop van een roabe (=Lijkbleek zien)
  48. Antwerps: geziegeterbegoton (=het is er echt aan te zien)
  49. Bilzers: zen ooge de kos gaeve (=alles zien)
  50. Zeeuws: ie zie zo roead as een sloter (=rood zien)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen