15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `steen`
- daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
- daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
- de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
- de steen des aanstoots (=iets dat anderen hindert, in conflict brengt of verdeeldheid zaait)
- een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
- een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
- een rollende steen vergaart geen mos. (=voortdurende verandering werpen vaak geen vruchten af)
- helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
- het huishouden van Jan steen (=een slordige boel)
- met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
- steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
- steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
- stok en steen verwend (=heel erg verwend)
- van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
- zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))
3 betekenissen bevatten `steen`
- steen en been klagen (=constant en hevig klagen. (klagen bij alles wat heilig is, bv. botten (=been) in een graf (=steen)))
- steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
- psalmen zingen (=schuren met baksteen en zand)
33 dialectgezegden bevatten `steen`
- ` 't ès hoehg geboere(n) èn liehg gesjoere(n) èn tèsse twie steen z'ne noam verloere` (=koren -het) (Genker)
- 't is 'n huusholling van Jan steen (='t is daar een ongeregelde bende) (Westerkwartiers)
- 't is doar 'n huusholling van jan steen (=het is daar een janboel) (Westerkwartiers)
- 't zal deurgoan, al moet de onnerste steen ok boov'm komm'm (=het moet hoe dan ook gebeuren) (Westerkwartiers)
- ' t Vries de steen aut d' iëd (=Het vriest dat het kraakt) (Bilzers)
- aste èn e glaoze haus woens, moeste zelf nie mèt steen goeje (=gooi nooit je eigen ruiten in) (Munsterbilzen - Minsters)
- aster nie viël te doen wos, sjikden oos aars os noë t veld vür dikke steen te raope van den akker en daaj moeste v¨r ènnet kaarspoër umkippe (=als terapie moesten we van onze ouder ook dikke keien rapen van de akkers en daarmee de karsporen vopvullen) (Munsterbilzen - Minsters)
- dao is alles naovenant: de pispot op de taofel en de kjeskomp ònger 't bèd (=dat is een huishouden van Jan steen) (Aelsers)
- één steen ken gien mosterd moal'n (=men moet wel samenwerken) (Westerkwartiers)
- ët vries steen autte grond (=het is barkoud) (Munsterbilzen - Minsters)
- ge kom slimmer van de mart als agger naor toe gaot (=een ezel stoot zich geen tweemal aan een steen) (Graauws)
- hae hèt ne blok on ze been (=de aanemer klaagt steen en been) (Munsterbilzen - Minsters)
- het gijt deur al moet d' onnerste steen boov' m komm' n (=het gaat hoe dan ook door) (Westerkwartiers)
- hij het de eerste steen lijt (=hij heeft dat bedrijf opgericht) (Westerkwartiers)
- hij klagt steen en been (=hij klaagt nogal wat) (Westerkwartiers)
- hij stoot zunne kop gin twee kjir (=een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen) (Gastels)
- huishouden van Jan steen (=rommelig huishouden) (Antwerps)
- je klaogt pittn in deîrde (=hij klaagt steen en been) (Kortemarks)
- Lietsje. (WT) (=vlakke steen over water laten springen) (Mechels (NL))
- met één steen ken je gien groan moal'n (=door samen te werken gaat het veel beter) (Westerkwartiers)
- ne kaole steen konste nie ville (=als je niets bezit, kan men je niets afnemen) (Bilzers)
- ne steen konste nie streepe (=iemand die niets bezit, kun je niets afnemen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ne steen konste nie t vel aoftrékke (=als je niets hebt, kunnen ze je ook niets afnemen) (Munsterbilzen - Minsters)
- nie op ne kaaë steen gevalle (=niet in dovemansoren gevallen) (Bilzers)
- oantse en tsjiepke (=met platte steen over 't water stuiteren) (Knesselaars)
- opte kaae steen ligge (=dood zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- steen en been kloag'n (=luidkeels klagen) (Westerkwartiers)
- tvries steen autte grond (=het vriest dat het kraakt) (Bilzers)
- va zèn ert ne steen moaken (=iets doen zonder veel goesting) (Sint-Niklaas)
- vlemke sjieëte (=met een steen zo vlak mogelijk over het water werpen zodat hij meermaals de oppervlakte raakt (vlam maakt)) (Munsterbilzen - Minsters)
- Vroo lank en smaol, dat steen zoe kaol -vroo kot en dik,dat steet heil ongesjik -vroo mèt middëlmoët, dat siert de heil stroët (=groot of klein, dun of dik, de mooiste is de gouden middelmaat) (Munsterbilzen - Minsters)
- wae èn ë glaoze haus woent, moet zi¨kër nie mèt steen goje (=altijd opletten wat je doet, want je kan lik op stuk krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Zouw howwe. (WT) (=Kinderspel: Spel waarbij men probeert een steen in een hokje te brengen) (Mechels (NL))
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen