Spreekwoorden met `handen`

Zoek

42 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `handen`

  1. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  2. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  3. de handen in de schoot (=werkloos)
  4. de handen slaan aan (=ontwijden)
  5. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  6. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  7. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  8. de handen vrij hebben (=tijd hebben om iets te doen)
  9. de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
  10. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  11. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben over een situatie.)
  12. er de handen voor op elkaar krijgen (=er steun (applaus) voor krijgen)
  13. handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
  14. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
  15. handen in de schoot geeft geen brood. (=als je niets doet verdien je ook niets)
  16. handen tekort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  17. handen wassen (=het toilet bezoeken)
  18. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
  19. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  20. iemand de teugels uit handen nemen. (=iemand de leiding afnemen)
  21. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  22. iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
  23. iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
  24. je handen dichtknijpen (=erg veel geluk hebben)
  25. je handen in onschuld wassen (=doen alsof men geen schuld heeft)
  26. je handen jeuken (=er erg veel zin in hebben te beginnen)
  27. je handen overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen)
  28. je handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  29. je kan geen ijzer met handen breken (=men kan het onmogelijke niet doen)
  30. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  31. met beide handen toegrijpen (=met graagte aanvaarden)
  32. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  33. met lege handen achterblijven (=niets meer hebben)
  34. met twee linkerhanden geboren zijn (=erg onhandig zijn)
  35. niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
  36. rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
  37. twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  38. twee handen op één buik zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
  39. twee linkerhanden hebben (=onhandig zijn, werk altijd laten mislukken)
  40. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  41. vissen met de handen vangen (=profiteren van het werk van anderen)
  42. vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=een vrouw is altijd wel wat aan het doen)

3 betekenissen bevatten `handen`

  1. heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  2. een beurt krijgen (=onderhanden genomen worden)
  3. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)

50 dialectgezegden bevatten `handen`

  1. De henj boven 't laken haoje. (=De handen boven het laken houden.) (Kinroois)
  2. aagt a annen on a gedong (van a velo) (=Hou je handen op je (fiets) stuur) (Aalsters)
  3. aal heur plann'n viel'n ien duug'n (=het brak hun bij de handen af) (Westerkwartiers)
  4. aende gelak as koolschuppen emme (=grote handen hebben) (Antwerps)
  5. aete métzen tein geboje (=met de handen eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. and'n toys! (=handen ervan af (bevel) ) (Waregems)
  7. anden ein gelèk koolschuppen (=grote handen hebben) (Sint-Niklaas)
  8. anne van de koesj of trauën (=handen van de koets of trouwen gezegd tegen iemand die een gehuwde vrouw niet ongemoeid wil laten) (Meers)
  9. augt a annen on anne gedong (=hou je handen aan je stuur) (Meers)
  10. Ben geen mof (=Werk uit je handen laten nemen, laten overnemen) (Rotterdams)
  11. bendoe knikkers aonut telle? (=doe je handen uit je zakken) (Oudenbosch)
  12. bèste ze sjiethaajf ont têlle (=handen uit je zakken!) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. bienspannen (=twee handen op één buik) (Koersels)
  14. blèèft ur meej oew pòlle van aaf!! (=blijf er met je handen af!!) (Tilburgs)
  15. blie der af me aow peggen (=blijf met je handen er vanaf) (Brabants)
  16. Blief mèt dien fikke dao vanaaf. (=Blijf daar met je handen vanaf.) (Gelaens (Geleens))
  17. blief met dien poten van mien poedie of (=blijf met je handen van me vrouwtje af) (Gronings)
  18. Blieft d’r met de jatten / peute van af! (=Blijf er met je handen van af!) (Aaltens)
  19. blijf daar met uw puten van af. (=blijf daar met uw handen af) (Lovendegems)
  20. blijf mèt zën vagge van mich aof (=blijf met je handen van me af) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. blijf ter mèt zen fikke vanaof (=handen af!) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. Blijfter mét zen tengels vanaof! (=handen af!) (Bilzers)
  23. bok stoeën (=met gevouwen handen een opstapje maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. dabben (=met de handen in de grond graven) (Arendonks)
  25. dae hèt losse hèndsjes (=hij kan zijn handen niet bijhouden) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. dae kan zën tein geboje nie taus hagë (=hij kan zijn handen niet van iemand houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. daor blefde gij meej oew tengels vanaf (=daar moet jij met je handen van afblijven) (Oudenbosch)
  28. De haann op de knippe holln. (=De handen op de portemonnee houden.) (Sallands)
  29. de kraa (g) s geen sjink mét aste den hoek ûmgees (=je gaat met leeg handen) (Bilzers)
  30. det litsj mich oet de hènj (=dat glijdt me uit de handen) (Sint-joasters)
  31. die joean ei vee duumkruud (=sterk in de handen) (Zeeuws)
  32. Du kins ging nuút krake mit dieng vot. (WT) (=Je kunt geen ijzer breken met je handen) (Mechels (NL))
  33. Een goei djoeb (=Een vrouw die haar hart op haar handen heeft) (Walshoutems)
  34. eet'n met je tien gebood'n (=met je handen eten) (Westerkwartiers)
  35. Ekkes mun klauwuh wassuh (=Even mijn handen wassen) (brabants)
  36. euvereinhaoje (=Twee handen op een buik) (Hunsels)
  37. gëlèkkëg nauwjoêr, ne kop vol hoêr, ne mond vol taaên en ën goej pint èn zën haaên (=gelukkig nieuwjaar, een hoofd vol haar, een mond vol tanden en een goede pint in je handen) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. Gelukzíllig neujòòr, unne kop vol hòòr, unne mónd vol teng en un waffel i gen heng (=Gelukkig nieuwjaar, een kop vol haar, een mond vol tanden en een wafel in je handen) (nijswillers)
  39. get anges zeen erte (=als je geen passend antwoord voor handen hebt) (Heitsers)
  40. goën vër tër ins aoën beginne, zaag te haon tieëge zën hinne (=handen uit de mouwen !) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. haan waaj een koeëlsjoep (=heel grote handen) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. haan waaj koëlesjoeppe (=grote handen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. hae trèk zich de hoëre autte kop (=de kapper zit met de handen in het haar) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. hande as schoepe (=grote handen) (Diesters)
  45. handen pippern mie van de kôlle! (=De handen tintelen me van de koude!) (Gronings)
  46. Haol dich diej jatte ins oet de bòksetesse (=Doe je handen eens uit de zakken) (Roermonds)
  47. Hebbie gips (=Mankeer je wat aan je handen) (leids)
  48. henj wie koalesjöppe (=grote handen hebben) (Steins)
  49. het haug ophëbbe met iemës (=iemand op de handen dragen) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. Hi'j zet mit de handen recht wat hi'j mit 't gat weeromme keert (=Het schiet niet op) (Giethoorns)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen