Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `handen`

  1. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  2. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  3. de handen in de schoot (=werkloos)
  4. de handen slaan aan (=ontwijden)
  5. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  6. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  7. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  8. de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
  9. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  10. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  11. ergens de handen voor op elkaar krijgen (=ergens steun (applaus) voor krijgen)
  12. handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
  13. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
  14. handen te kort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
  15. handen wassen (=het toilet bezoeken)
  16. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
  17. het zijn twee handen op een buik (=ze verstaan elkaar volkomen)
  18. Hij vangt vissen met zijn handen (=Hij profiteert van andermans werk)
  19. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  20. Iemand de teugels uit handen nemen. (=Iemand de leiding afnemen)
  21. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  22. iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
  23. iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
  24. ijzer met handen breken (=het onmogelijke doen)
  25. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  26. men kan geen ijzer met handen breken (=men kan het onmogelijke niet doen)
  27. met beide handen toegrijpen (=met graagte aanvaarden)
  28. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  29. met lege handen achterblijven (=niets meer hebben)
  30. met twee linkerhanden geboren zijn (=erg onhandig zijn)
  31. niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
  32. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan eten, kan snel werken.)
  33. twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  34. twee linkerhanden hebben (=onhandig zijn, werk altijd laten mislukken)
  35. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  36. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  37. zijn handen dichtknijpen (=erg veel geluk hebben)
  38. zijn handen in onschuld wassen (=doen alsof men geen schuld heeft)
  39. zijn handen jeuken (=er erg veel zin in hebben te beginnen)
  40. zijn handen overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen)
  41. zijn handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)

3 betekenissen bevatten `handen`

  1. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  2. een beurt krijgen (=onderhanden genomen worden)
  3. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)

Het dialectenwoordenboek kent 62 spreekwoorden met `handen`

  1. Tegels: kaai heng (=koude handen)
  2. Sint-Niklaas: anden ein gelèk koolschuppen (=grote handen hebben)
  3. Lichtervelds: jeet andn lik koolschippn (=hij heeft grote handen)
  4. Bilzers: ze beginne mich te krievele (=mijn handen jeuken)
  5. Arendonks: dabben (=met de handen in de grond graven)
  6. Mestreechs: mèt han en veuj (=met handen en voeten)
  7. Hunsels: euvereinhaoje (=Twee handen op een buik)
  8. Munsterbilzen - Minsters: aete métzen tein geboje (=met de handen eten)
  9. Oudenbosch: zonder aande rije (=met losse handen fietsen)
  10. Munsterbilzen - Minsters: haan waaj koëlesjoeppe (=grote handen)
  11. Antwerps: aende gelak as koolschuppe emme (=grote handen hebben)
  12. Herns (Herne, VL-B): in oij annen plaschen (=in zijn handen klappen)
  13. Heerlens: i gen heng klatsje (=in de handen klappen)
  14. Sint-Niklaas: ze kletsen in oldur pollen (=ze klappen in de handen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: bèste ze sjiethaajf ont têlle (=handen uit je zakken !)
  16. Munsterbilzen - Minsters: dae hèt losse hèndsjes (=hij kan zijn handen niet bijhouden)
  17. Mestreechs: twie han op eine boek (=twee handen op een buik)
  18. Veurns: twi zieëlen in e kloefe (=twee handen op één buik)
  19. Sint-Niklaas: de boter zal gon opsloagen (=als je handen jeuken....zegt men:)
  20. Lovendegems: blijf daar met uw puten van af. (=blijf daar met uw handen af*)
  21. Tilburgs: blèèft ur meej oew pòlle van aaf !! (=blijf er met je handen af !!)
  22. Oudenbosch: daor blefde gij meej oew tengels vanaf (=daar moet jij met je handen van afblijven)
  23. Munsterbilzen - Minsters: baeter kaa haan dan e kaat hat (=krijgen vult de handen, geven het hart)
  24. Harelbeeks: zyn handen zyn d'r achternoa(r) angezet (=hij is onhandig)
  25. Zeeuws: klets klets klandere van tie -en billetje op tandere (=deeg met de handen kneden)
  26. Roermonds: Haol dich diej jatte ins oet de bóksetesse (=Doe je handen eens uit de zakken)
  27. Westerkwartiers: hij zit goed ien 'e slabbe was (=hij heeft voldoende geld om handen)
  28. Aalsters: aagt a annen on a gedong (van a velo) (=Hou je handen op je (fiets)stuur)
  29. Westerkwartiers: ik zal dij de navvel es uutvrutt'n (=ik zal jou eens onder handen nemen)
  30. Tegels: Oppe kneeën met gevaaide heng beeje (=Op de Knieën met gevouwde handen bidden)
  31. Waregems: te kandeêle (te keeëre) goan (=te lijf gaan, met geweld onder handen nemen)
  32. Haarlems: Wil jij je daar even van af houden (=wil jij daar met je handen van afblijven ?)
  33. Munsterbilzen - Minsters: ze kappetaol besjerme (=zijn handen ter bescherming voor zijn ding houden)
  34. Steins: dat kos klauwe vol geldj (=dat is erg duur, dat kost handenvol geld)
  35. Wetters: ij moe nog mee zijn twie handen piesen (=hij is nog niet volwassen)
  36. Bilzers: rap raaje és niks, mér rap stoppe és alles (=wie snel rijdt, legt zen leven in handen van zijn voeten)
  37. Brussels: polle as oelleschuppe (=handen (grote handen ))
  38. Tegels: kaaje heng (=koude handen)
  39. Diesters: hande as schoepe (=grote handen)
  40. Brussels: Puute van de koesj ! (=Hou je handen thuis)
  41. Bilzers: Blijfter mét zen tengels vanaof ! (=handen af !)
  42. Munsterbilzen - Minsters: blijf ter mèt zen fikke vanaof (=handen af !)
  43. Munsterbilzen - Minsters: zen tein geboje gebreike (=met je handen eten)
  44. Hulsters (NL): zonder 'aande raije (=met losse handen rijden)
  45. Lichtervelds: mn andn zien lik ysbrokkn (=mijn handen hebben ijskoud)
  46. Waregems: and'n thois! (=handen ervan af (bevel))
  47. Aalsters: Plasjt insj in eir annen! (=Klap eens in jullie handen!)
  48. Kanners: m'n han kölle miech (=mijn handen tintelen)
  49. Zeeuws: die joean ei vee duumkruud (=sterk in de handen)
  50. Oudenbosch: bendoe knikkers aonut telle ? (=doe je handen uit je zakken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen