Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


47 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hel`

  1. aan de man brengen/helpen (=verkopen)
  2. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  3. alle duivels uit de hel vloeken (=heftig vloeken)
  4. alle vrachtjes helpen (=veel kleintjes maken een grote)
  5. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  6. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  7. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  8. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  9. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke woorden niet)
  10. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  11. Dat is het hele eieren eten. (=Zo zit de zaak in elkaar.)
  12. dat zijn ze niet die `t Wilhelmus blazen (=dat zijn onze vrienden niet)
  13. de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  14. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  15. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  16. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  17. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  18. een hele Piet (=iemand die meetelt)
  19. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  20. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  21. ergens een hele kluif aan hebben (=er een heel probleem aan hebben)
  22. helemaal van slag zijn (=in de war zijn)
  23. helse machine (=bom)
  24. helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
  25. het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
  26. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  27. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  28. iemand in het zadel helpen (=iemand aan een (goede) functie/positie helpen)
  29. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  30. iemand te paard helpen (=iemand een goede baan helpen krijgen)
  31. Iemand te paard helpen. (=Iemand helpen, steunen)
  32. iemand uit de brand helpen (=iemand uit de nood helpen)
  33. iemand uit de droom helpen (=iemand vertellen hoe het écht in elkaar zit)
  34. ik help je dat wensen (=ik hoop het wel voor je!)
  35. met de helm (op) geboren zijn (=de toekomst kunnen voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
  36. om zeep brengen/helpen/zijn (=doden/mislukken)
  37. op de proppen helpen (=iemand steunen en verder helpen)
  38. op het hellend vlak (=onzeker)
  39. op het kussen helpen (=aan de macht helpen)
  40. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)
  41. uit de nesten helpen (=uit de problemen helpen)
  42. uit het moeras helpen (=uit de problemen helpen)
  43. van de wal in de sloot (helpen) (=de situatie verergeren in plaats van verbeteren)
  44. voor de poorten van de hel weghalen (=uit het grootste gevaar redden)
  45. Wat helpt fluiten, als het paard niet pissen wil. (=Een zinloze oplossing)
  46. weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kunnen gaan)
  47. zo helder als koffiedik (=niet helder, niet duidelijk)

105 betekenissen bevatten `hel`

  1. op het kussen helpen (=aan de macht helpen)
  2. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  3. als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
  4. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  5. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)
  6. van de ratten besnuffeld/gebeten zijn (=ben je nu helemaal gek!)
  7. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  8. mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
  9. dat is geen punt. / Daar maken we geen punt van (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argument)
  10. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  11. dat past als een vuist in een oog (=dat past helemaal niet)
  12. kap en keuvel (=de hele boel)
  13. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  14. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  15. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  16. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  17. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helemaal niet bevalt)
  18. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  19. een goede buur is beter dan een verre vriend (=een goede buur kan je beter helpen dan een verre vriend)
  20. een draai aan het verhaal geven (=een hele eigen versie van wat er gebeurd is vertellen)
  21. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  22. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  23. hou en trouw (beloven) (=elkaar overal (zullen) helpen)
  24. ergens geen tittel of jota van afweten (=ergens geen verstand van hebben, ergens helemaal geen kennis van hebben)
  25. van Teeuwes nog Meeuwes weten (=ergens van helemaal geen verstand hebben)
  26. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  27. tabula rasa maken (=geheel herbeginnen - de boel helemaal opruimen)
  28. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  29. op een strowis komen aandrijven (=helemaal berooid en arm ergens komen)
  30. zo zat als een deur (=helemaal bezopen zijn)
  31. van de kook zijn (=helemaal in de war zijn)
  32. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  33. zwijgen als het graf (=helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  34. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  35. kruit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
  36. uit het veld geslagen zijn (=helemaal van streek zijn)
  37. averechts uitpakken (=helemaal verkeerd aflopen. Tegengesteld uitpakken)
  38. tot op de draad versleten (=helemaal versleten)
  39. op en top (=helemaal, tot in de puntjes)
  40. de hand lenen tot (=helpen)
  41. weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kunnen gaan)
  42. het loopt in't honderd (=het gaat helemaal mis)
  43. zo klaar als een klontje voor iemand zijn (=het helemaal begrijpen)
  44. het is volle bak (=het is helemaal uitverkocht; er zijn heel veel mensen)
  45. er zit een luchtje aan (=het is niet juist, het klopt niet helemaal)
  46. het is boter aan de galg gesmeerd (=het is zinloos, het kan niet helpen)
  47. een lans breken voor iemand (=het voor iemand opnemen, voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen)
  48. ergens lak aan hebben (=het zich helemaal niet aantrekken)
  49. Er zit een schroefje bij hem los (=hij is niet helemaal goed wijs)
  50. er is geen doen aan (=hij is niet te overtuigen, niets kan helpen)

Het dialectenwoordenboek kent 388 spreekwoorden met `hel`

  1. Helenaveens: De knaal stùt in de fik (=De berm van de helenavaart staat in brand)
  2. Heldens: kaatemaan oet durp (=korsten uit helden)
  3. Helenaveens: Knats vergéte (=helemaal vergeten!)
  4. Helenaveens: Gaar nie! (=helemaal niet!)
  5. Sint-Niklaas: da zat dor helemoaal volgepropt (=het zat daar helemaal vol)
  6. Westerkwartiers: de kop lopt mij om (=ik ben helemaalmin de war)
  7. Twents: Ha'jt wa helemoal heuj zitt'n?! (=Heb je het wel helemaal goed zitten?!)
  8. Aspers: t'aas helegans vermuest (=het is volledig verprutst)
  9. Westerkwartiers: die sprekt kloare toal (=die man spreekt heldere taal)
  10. Hulsters (NL): Oe è j'um da helapt? (=Hoe heb je dat gedaan?)
  11. Koksijds: eje meje hat bloat helehe (=als iemand een lichte verkoudheid heeft)
  12. Helders: kermis in den helder, water in de kelder (=de week van de grote kermis regent het zo goed als altijd)
  13. Bosch: Bende nou helemoal van de pot gerukt (=Iets wat echt niet kan)
  14. Gents: z'es nog goe bij den eure (=zij is nog helder van geest)
  15. Helmonds: Ons erstu letturgrieejp zonder dun el (=hel)
  16. Oudenbosch: ge kun mijne zak opblaoze (=loop naar de hel)
  17. Helders: een stuk in je reet hebben (=dronken)
  18. Helenaveens: Achterùm lulle (=Roddelen)
  19. Westerkwartiers: de deur stijt wiedwoag'ns oop'n (=dat is zo helder als maar kan)
  20. Kortrijks: van ensentens (ens tot ens) (=helemaal, over het hele eind)
  21. Helenaveens: Ochèrm (=O, wat zielig)
  22. Helders: Een nat zeikie. (=Water in je schoenen.)
  23. Achterhoeks: bu'j now helemaol van de pot geruk (=iets doen wat absoluut niet kan)
  24. Putters: bi'je noen helemaol besuukerd (=ben je een haartje betoeterd)
  25. Liemers: Ik kom uut Pandere en waet helemaol van niks (=Kom uit Pannerden)
  26. Peers: zoe hel es ene din (=bikkelhard)
  27. Veurns: een oend zoedt ieër ze joeng'n nie werevieng'n (=hel wanordelijk zijn)
  28. Munsterbilzen - Minsters: ze gezich steet op onwaere (=seffens breekt de hel los)
  29. Drents: bist du nog waol heulmoal zuuver in de panne? (=denk jij nog wel helder?)
  30. Lichtervelds: kzy nog oltyd bie de mynn (=ik ben nog altijd helder van geest)
  31. Helenaveens: Ja net! (=Zo is het!)
  32. Tilburgs: unne scheut òf un schutje, dè schilt unne kwak. (=een scheut of een scheutje, dat scheelt een heleboel.)
  33. Helders: iemand naar Huisduinen brengen (=iemand begraven)
  34. Westerkwartiers: 't is zo kloar as 'n klondje (=het is zo helder als het maar kan)
  35. Sint-Niklaas: de koaken van 't gat (=iedere helft van het achterste)
  36. Helenaveens: Bende gij verschote? (=Schrok jij?)
  37. Westerkwartiers: dat kwam as 'n dunnerslag bij heldere hemel (=dat kwam onverwachts)
  38. Westerkwartiers: mien betere helft (=mijn vrouw)
  39. Zeeuws: ie-erlijk die-eln ik ut mie-este (=elk een helft)
  40. Zottegems: 't alvend van de moand (=in de helft van de maand)
  41. Tilburgs: laawloene meej de klèp toe (=helemaal niets (of helemaal mis))
  42. Helders: scharrebakken (=op rustige muziek (intiem) dansen)
  43. Tilburgs: Ik docht ok al hil den tèd bè m'n ège, wè trekket hier mar gin wonder, 't hat mènne vurbroek nog openstoan. (=ik dacht de heletijd al wat tocht het hier, maar mijn gulp stond open.)
  44. Bilzers: ich bén nog goed bij de maajn (=ik ben nog helder van geest)
  45. Boakels: dê jis un hel weefke (=dat is een pienter vrouwtje)
  46. Oudenbosch: jaa jong tis wa (=je doet er helaas niets aan)
  47. Helenaveens: Vongde gij veul? (=Heb je veel vis gevangen?)
  48. Helenaveens: Oewe fiets stùt slap (=Je fietsband is lek)
  49. Helenaveens: Stùt 'r stroom op? (=Staat er spanning op?)
  50. Helenaveens: Hèdde dè? (=Heb je dat?)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen