Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


28 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `haar`

  1. Daar hangt de schaar uit (=Men is daar niet te vertrouwen)
  2. daar is een haartje in de boter (=daar is ruzie of wrijving)
  3. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  4. een haar in de boter vinden/zoeken (=op het kleinste detail vitten)
  5. Een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden. (=De invloed van een vrouw is zeer sterk)
  6. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  7. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  8. gekroesd haar, gekroesde zinnen (=vreemdelingen hebben andere zeden en gewoonten)
  9. gekruld haar, gekrulde zinnen (=vreemdelingen hebben andere zeden en gewoonten)
  10. haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
  11. haar wil is wet (=als wat zij wil niet gebeurt, dan ontstaan er grote conflicten)
  12. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
  13. het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  14. het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dicht op elkaar)
  15. het scheelde maar een haartje (=dat ging maar net goed)
  16. het werkt als haarlemmerolie (=iets dat overal voor te gebruiken is)
  17. het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is genoeg)
  18. iemand geen haarbreed in de weg leggen (=iemand op geen enkele manier ergens mee hinderen of tegenhouden)
  19. Iets door het oog van de schaar halen (=Materiaal van op het werk voor jezelf houden / Jezelf oneerlijk zaken toe-eigenen)
  20. kroes haar kroeze zinnen (=iemand met gekruld haar is wispelturig)
  21. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  22. men kan geen kaalkop bij het haar vatten (=bij de arme valt niets te rapen)
  23. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  24. met huid en haar (=geheel en al)
  25. van hot naar haar (=heen en weer)
  26. van huis en haard verdreven (=dakloos zijn)
  27. Ze staat in haar eigen licht (=Ze is trots op zichzelf)
  28. Zij hangt haar man de blauwe huik om (=Zij bedriegt haar man)

6 betekenissen bevatten `haar`

  1. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Als de vrijster achter haar geliefde aanloopt, wil zij te graag trouwen)
  2. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  3. iemand wel achter het behang kunnen plakken (=iemand heel vervelend vinden, waardoor je het liefst even helemaal niets meer met hem of haar te maken zou willen hebben)
  4. kroes haar kroeze zinnen (=iemand met gekruld haar is wispelturig)
  5. een roze bril op hebben (=verliefd op iemand zijn en hierdoor zijn/haar mindere kanten niet zien)
  6. Zij hangt haar man de blauwe huik om (=Zij bedriegt haar man)

Het dialectenwoordenboek kent 247 spreekwoorden met `haar`

  1. Bilzers: wolknijn (=veel haargroei)
  2. Overmeers: 'n klesse hoar (=een haarlok)
  3. Waregems: peepr' en zout (=gedeeltelijk grijzende haardos)
  4. Rotterdams: geen haarlemmer dijkie's (=geen gezeur)
  5. Eekloos: Zes mee heur hoar gewest (=Ze is naar de haarkapper geweest)
  6. Westerkwartiers: haardlopers benn'n doodlopers (=(te)snelle beginners halen de eindstreep niet)
  7. Haarlems: die is kassiewijle (=die is dood)
  8. Rotterdams: Geen haarlemmer dijkie's (=iets vragen wat iemand niet wil)
  9. Haarlems: dat is maf (=dat is gek)
  10. Haarlems: Geen porem, geen smoel (=Geen gezicht)
  11. Haarlems: Hastikke link (=Heel erg leuk)
  12. Haarlems: ik zit te ralibalen hiero (=ik heb het koud)
  13. Haarlems: Kijk maar effe wat je doet (=Zie maar)
  14. Munsterbilzen - Minsters: Aater haarieke van de Knaajnkes on de bêm èn Eek hoch de Sjutteraaj van Eek hunne boom ston, tësse de kiëzebeem (=Achter 'Huis Gregoor' had de schutterij van Eik haar schietstand, tussen de kersenbomen.)
  15. Westerkwartiers: hoe haarder as 't reeg'nt, hoe gauwer is 't over (=al te strenge heren blijven niet lang aan de macht)
  16. Haarlems: Belazerd, van de pot gerukt/gepleurd (=gek)
  17. Haarlems: wat moet je dan (=wat wil je dan)
  18. Haarlems: ik zien je daar (=ik zie je daar)
  19. Haarlems: In de hens zetten. (=In de fik steken)
  20. Haarlems: We taaien af (=We gaan weg)
  21. Westerkwartiers: we moet'n nog 'n poar haarde neut'n kroak'n (=wij moeten nog een paar stevige beslissingen nemen)
  22. Westerkwartiers: te haard van stoabel loop'n (=overhaast aan het werk gaan)
  23. Haarlems: Maak je niet sappel, maak je niet dik (=maak je niet druk)
  24. Haarlems: ik vind het gesneden (=ik ben er klaar mee)
  25. Westerkwartiers: ze moet'n d'r haard veur ploeder'n (=ze moeten er hard voor werken)
  26. Haarlems: je kunt me de bout hachelen, an me toeroe, an me togus, an me reet (=je kunt m'n rug op)
  27. Westerkwartiers: die moet d'r haard veur sappel'n (=die moet er hard voor werken)
  28. Haarlems: Ik heb geen rooie plakker (moet niet gekker worden) (=Ik heb geen rooie cent)
  29. Haarlems: Ik zou er niet dood gevonden willen worden (=Ik zou er niet willen wonen)
  30. Haarlems: Wil jij je daar even van af houden (=wil jij daar met je handen van afblijven ?)
  31. Haarlems: Dat gaat je geen moer / geen reet aan (=Dat gaat je niks aan)
  32. Westerkwartiers: beder haard bloaz'n as de mond verbraand (=beter een keer te veel gewaarschud)
  33. Herks: tehurres (=bij haar thuis)
  34. Sint-Niklaas: euren boek (=haar boek...)
  35. Haarlems: ik heb geen piek meer, ik heb geen cent te makken (=ik heb geen geld (meer) / ik ben platzak)
  36. Bornems: witzwing (=blond haar hebben)
  37. Rillaars: heure kommisveu (=haar boezem)
  38. Sint-Niklaas: eur schoenen (=haar schoenen...)
  39. Venloos: kwante rispels (=mooi haar)
  40. Helenaveens: Heur hoar zit dur de war (=haar haar zit in de war)
  41. Westerkwartiers: 't is kwart veur struus, as 't haard lopst bist gauw tuus (=ik kan je niet zeggen hoe laat het is)
  42. Schulens: te hirrest (=Bij haar thuis)
  43. Antwerps: heur koplaampe braande (=haar tepels staan stijf)
  44. Westerkwartiers: doar krigt zij piekevel van (=dat ontroert haar)
  45. Westerkwartiers: dat was veur heur de nekslag (=dat werd haar ondergang)
  46. Hasselts: kèmp mich men oar !! (=kam mij mijn haar!)
  47. Ninoofs: Emmer de rat'n oeëgezeetn (=Je haar is slecht geknipt)
  48. Vlijtingens: ze hèt hurre pruil (=ze heeft haar maandstonden)
  49. Brakels: ze zèt em uurns (=ze bedriegt haar man)
  50. Westerkwartiers: ze is ien heur sas (=zij is in haar nopjes)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen