Spreekwoorden met `geluk`

Zoek

25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geluk`

  1. die het geluk vindt, die mag het oprapen. (=geluk komt onverwachts)
  2. een geluk bij een ongeluk (=terwijl iets mis gaat, gaat iets anders goed)
  3. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er `n ongeluk van komt)
  4. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  5. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  6. geen geluk zonder druk. (=gelukkig wordt je niet zonder er moeite voor te doen)
  7. geld maakt niet gelukkig (=er is meer in het leven dan rijkdom)
  8. geluk en glas breekt even ras. (=geluk is niet vanzelfsprekend)
  9. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  10. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  11. het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
  12. het geluk komt in de slaap. (=geluk komt onverwachts)
  13. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  14. het geluk vliegt; wie het vangt die heeft het. (=geluk kan zo maar komen en zo weer gaan)
  15. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  16. je een ongeluk lachen (=hetzelfde als `In een deuk liggen`, niet meer bijkomen van het lachen)
  17. meer geluk dan wijsheid. (=dat was geluk hebben.)
  18. men heeft het geluk zo vast als een handvol vliegen. (=geluk komt onverwachts en kan zo weer gaan)
  19. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  20. ongeluk komt zelden alleen (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  21. ongelukkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)
  22. scherven brengen geluk. (=dit zeg je om iemand zich minder schuldig te laten voelen)
  23. twaalf ambachten, dertien ongelukken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  24. van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)
  25. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)

60 betekenissen bevatten `geluk`

  1. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  2. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  3. wie veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  4. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  5. er zijn geen rozen zonder doornen (=bij elk geluk is er ook verdriet)
  6. de koning te rijk zijn. (=bijzonder gelukkig zijn)
  7. dat was op het nippertje (=dat is maar net gelukt)
  8. meer geluk dan wijsheid. (=dat was geluk hebben.)
  9. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  10. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  11. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
  12. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  13. in de wolken zijn (=erg blij en gelukkig zijn)
  14. huizenhoog springen (=erg gelukkig zijn)
  15. op rozen zitten (=erg gelukkig zijn en goed hebben)
  16. je handen dichtknijpen (=erg veel geluk hebben)
  17. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  18. geluk en glas breekt even ras. (=geluk is niet vanzelfsprekend)
  19. mooie liedjes duren niet lang (=geluk is van korte duur)
  20. het geluk vliegt; wie het vangt die heeft het. (=geluk kan zo maar komen en zo weer gaan)
  21. het geluk komt in de slaap. (=geluk komt onverwachts)
  22. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  23. die het geluk vindt, die mag het oprapen. (=geluk komt onverwachts)
  24. men heeft het geluk zo vast als een handvol vliegen. (=geluk komt onverwachts en kan zo weer gaan)
  25. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  26. geen geluk zonder druk. (=gelukkig wordt je niet zonder er moeite voor te doen)
  27. ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  28. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  29. kijken alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=heel ongelukkig kijken)
  30. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  31. de gekken krijgen de beste kaarten (=het geluk is met de dommen)
  32. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  33. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
  34. het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  35. een paling (snoek) gevangen hebben (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  36. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft)
  37. tussen de wal en het schip geraken (=in de knel komen, iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
  38. de domste boeren hebben de dikste aardappelen (=met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  39. het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
  40. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  41. dertien ogen gooien (=onmogelijk veel geluk hebben)
  42. op de bonnefooi/bof (=op goed geluk)
  43. op de rooi af (=op goed geluk geschat)
  44. op goed af spelen (=op goed geluk spelen)
  45. wie niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  46. de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
  47. rozengeur en maneschijn (=totaal geluk)
  48. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  49. naar de kelder gaan (=verongelukken (en met een schip: zinken))
  50. een kruimeltje is ook brood (=wees gelukkig met wat je hebt)

50 dialectgezegden bevatten `geluk`

  1. ...en de wènd van aatër (=...en veel geluk) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. 'k oë malsjanse (=ik had het geluk niet aan mijn zijde) (Waregems)
  3. 'n kart sjanse get (=eventjes geluk gehad) (Wevelgems)
  4. 'n ons geluk is meer as 'n pond verstand (=zonder geluk vaart niemand wel) (Westerkwartiers)
  5. 'n ons gelök is mieër waerd as 'ne kilo verstând (=geluk is soms meer waard dan verstand) (Weerts)
  6. 't geluk het 'em de rug toekeerd (=het geluk heeft hem in de steek gelaten) (Westerkwartiers)
  7. 't is 't rad van oav'mtuur (=het is allemaal geluk) (Westerkwartiers)
  8. 't Laeve waas veur veul minse neet zoeë gezellig es de bure get mieë gelök haje! (=Het leven was voor veel mensen niet zo gezellig moesten de buren wat meer geluk hebben!) (Kinroois)
  9. ' t is niet altied rozegeur en moaneschien (=het is niet altijd liefde en geluk) (Westerkwartiers)
  10. ' t Rare aan gelök is: es te gelök höbs den höbs te geldj g' hadj! (=Het rare aan geluk is: als je geluk hebt, heb je geld gehad!) (Kinroois)
  11. a ee zjou (=hij heeft geen geluk) (Meers)
  12. Aa ei piet (=Hij heeft geluk) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  13. Aa heid oeresjans gat (=Hij heeft heel veel geluk gehad) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  14. aargens beter ofkommen as Okke Kluun, dij mos hangen (=geluk hebben, aan ongeluk ontsnapt zijn) (Gronings)
  15. afetieteafetijte (=op het goed geluk af) (Wetters)
  16. bau et hat van vol ès, lëpte mond van iëver (=geluk kun je niet voor jezelf houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. beder 'n ons geluk dan 'n pond verstand (=zonder geluk vaart niemand wel) (Westerkwartiers)
  18. buzze ein (=geluk hebben) (West-Vlaams)
  19. d'n duuvel sjit op d'n groetste haop (=hij heeft altijd geluk) (Mestreechs)
  20. d'n duuvel sjit op d'n groetste houp (=hij / zij heeft altijd geluk) (Mestreechs)
  21. d'n duvel sjit ummer op d'n groeatsten haup (=Sommige mensen hebben altijd geluk) (Steins)
  22. d'r beknaisd vanof komme (=met veel geluk ergans vanaf komen) (Katwijks)
  23. dae haet ‘t gelök mèt trös ane vot hange (=hij heeft altijd geluk) (Heitsers)
  24. dae is d’r graselik vanaaf gekómme (=geluk hebben; ergens goed vanaf komen) (Heitsers)
  25. dan maagst de hand' n stief dichtkniep' n (=dan mag je van geluk spreken) (Westerkwartiers)
  26. dan zijde deurt oog van de naold gekrope (=dan heb je veel geluk gehad) (Oudenbosch)
  27. dank os Lieve Heir mér op zen blaute knieë (=hebt gij veel geluk gehad!) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. dao is d’r good naevenaaf gefietstj (=daar is hij goed mee weggekomen; hij heeft geluk gehad) (Heitsers)
  29. daor mottut mar mee treffenee (=daar moet je geluk mee hebben) (Oudenbosch)
  30. daorebbe we geluk mee gat (=dat is een meevaller geweest) (Oudenbosch)
  31. Dat dae mêr op z'n hatsje klop! (=Die mag van geluk spreken!) (Bilzers)
  32. de bès mèt zën kont èn de botter gevalle (=jij hebt alle geluk ter wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. de domste boer' n hemm' de dikste eerabbels (=zonder geluk vaart niemand wel) (Westerkwartiers)
  34. de duvel schaijt aeltijd op de grôte hoop (=De grootste rijke rotzakken hebben het meeste geluk in het leven en vangen nog meer geld dan nodig is: vangen het meeste geld.) (Utrechts)
  35. De flosj (af)trekken (=Op de kermismolen een gratis rit mogen maken (letterlijk). geluk hebben (figuurlijk).) (bambrugs)
  36. de groete èn de wènd van aater (=nog veel geluk (pejoratief bedoeld) ) (Bilzers)
  37. de groete ende wénd vanaater (=de beste wensen en veel geluk) (Bilzers)
  38. de grotste boer heej de grotste èèrepel (=het geluk is met de dommen) (Tilburgs)
  39. de hëbs dikke sjaos (=je hebt alle geluk van de wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. Dé is mit de vôt in de botter gevalle. (WT) (=Hij heeft veel geluk gehad) (Mechels (NL))
  41. de lompste buur heet de dikste jaarpellen (=geluk hebben) (Vlijtingens)
  42. de maus wol zën twei hendsjës poene (=je hebt alle geluk van de wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. de maus zën twei hendsjës poene (=je mag van geluk spreken) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. De sjòmste boere höbbe de dikste aerpel (=Het geluk is met de dommen) (Sittards)
  45. De sjómste boere höbbe de dikste aerpel (=Het geluk is met de dommen.) (Gelaens (Geleens))
  46. De stómste boere hebbe de diekste petatte (=Het geluk is met de dommen) (Venloos)
  47. den domsten boer ee de dikste petetten (=Domme mensen hebben het meeste geluk) (Lokers)
  48. dêr de kop van e nëlzje gekroëpe (=geluk gehad) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. di hé mazzel (=hij heeft geluk gehad) (Liessents)
  50. die boft, die boft nogal, die é sjangs (=die heeft geluk) (Sint-Niklaas)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen