Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geluk`

  1. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er 'nongeluk van komt)
  2. een ongeluk komt te paard en gaat te voet. (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan.)
  3. een ongeluk komt zelden/nooit alleen. (=als er iets misgaat, gaat er vaak nog meer mis.)
  4. een ongeluk zit in een klein hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  5. geld maakt niet gelukkig. (=er is meer in het leven dan rijkdom)
  6. geluk bij een ongeluk. (=terwijl iets mis gaat, gaat iets anders goed.)
  7. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  8. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  9. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn. (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn.)
  10. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  11. ongeluk komt zelden alleen. (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  12. ongelukkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)
  13. twaalf ambachten, dertien ongelukken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  14. van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)
  15. zich een ongeluk lachen. (=hetzelfde als 'In een deuk liggen', niet meer bijkomen van het lachen.)
  16. zonder geluk vaart niemand wel. (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)

47 betekenissen bevatten `geluk`

  1. zonder geluk vaart niemand wel. (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  2. als de maan vol is schijnt ze overal. (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien.)
  3. die veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  4. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  5. er zijn geen rozen zonder doornen. (=bij elk geluk is er ook verdriet.)
  6. geen rozen zonder doornen (=bij het geluk hoort ook een beetje tegenslag)
  7. dat was op de valreep (=dat is maar net gelukt.)
  8. dat was op het nippertje (=dat is maar net gelukt.)
  9. een ongeluk zit in een klein hoekje. (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  10. met de neus in de boter vallen (=door geluk rijk geworden zijn)
  11. voorkomen is beter dan genezen. (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  12. belofte is een hemd der dwazen. (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken.)
  13. een ongeluk komt te paard en gaat te voet. (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan.)
  14. in de wolken zijn (=erg blij en gelukkig zijn)
  15. huizen hoog springen (=erg gelukkig zijn)
  16. op rozen zitten (=erg gelukkig zijn en goed hebben)
  17. zijn handen dichtknijpen (=erg veel geluk hebben)
  18. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  19. mooie liedjes duren niet lang. (=geluk is van korte duur)
  20. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  21. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  22. ruim zijn aandeel in 's werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  23. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  24. een jatmous van een wijf, maakt de nering stroef en stijf (=het brengt ongeluk als je eerste klant een vrouw is.)
  25. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje. (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag.)
  26. hij kijkt of hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  27. het gaat hem/haar voor de wind. (=hij/zij heeft geluk.)
  28. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  29. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft.)
  30. tussen wal en schip geraken (=iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
  31. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  32. dertien ogen gooien (=onmogelijk veel geluk hebben)
  33. op de bonnefooi/bof (=op goed geluk)
  34. op de rooi af (=op goed geluk geschat)
  35. op goed af spelen (=op goed geluk spelen)
  36. die niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  37. de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
  38. rozengeur en maneschijn (=totaal geluk)
  39. de handen dicht mogen knijpen. (=van geluk mogen spreken.)
  40. naar de kelder gaan (=verongelukken (en met een schip: zinken))
  41. een kruimeltje is ook brood. (=wees gelukkig met wat je hebt)
  42. ongelukkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)
  43. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben)
  44. wie een varken is moet in het schot (=wie voor het ongeluk geboren is, hoeft geen geluk te verwachten)
  45. kip, ik heb je. (=ziezo, dat is gelukt / ik heb je te pakken!)
  46. met zijn hoofd in de wolken. (=zo gelukkig, blij zijn dat je niet goed oplet.)
  47. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er 'nongeluk van komt)

Het dialectenwoordenboek kent 109 spreekwoorden met `geluk`

  1. Westerkwartiers: wil 't wat lukk'n ? (=gelukken - wil het wat gelukken ?)
  2. Achterhoeks: gelukkeg niejjoor, he'j de toete al klaor (=gelukkig nieuwjaar, heb je de snoepzak al klaar)
  3. Gents: wem hier prijs (=het is gelukt)
  4. Drents: Paartie lu hebt aid geluk, as ze in de vaort valt komt ze met een visse in de bek wèer boven (=geluksvogels heb je altijd)
  5. Rotterdams: Die is met een gouwe pik gebore (=Hij is een geluksvogel)
  6. Steins: mit de vot in de boter vallen (=een gelukstreffer hebben)
  7. Zolders: Dzju toch èh! (='t is niet gelukt)
  8. Twents: Volle geluk in 't tuk (=gelukkig nieuwjaar!)
  9. Sint-Niklaas: lot de boere mor dussen (=dorsen) (=de zaak is gelukt)
  10. West-Vlaams: buzze ein (=geluk hebben)
  11. Twents: völ geluk in tuk (=veel geluk in de toekomst)
  12. Westerkwartiers: 'n ons geluk is meer as 'n pond verstand (=zonder geluk vaart niemand wel)
  13. Sint-Katelijne-Waver: Aad jaar Nief jaar twiê koeken is eu paar kwèns aa ne gelukkige nievejaar (=Oud jaar,nieuwe jaar twee koeken is een paar 'k wens je een gelukkig nieuwjaar)
  14. Sint-Niklaas: malsjangs ein (=geen geluk hebben)
  15. Hulsters (NL): gheluk meej un ongheluk (=geluk bij een ongeluk)
  16. Arendonks: mi ew gat in de bo-er valleh (=geluk hebben)
  17. Genneps: Perdsgeluk hebbe (=Ongekend veel geluk hebben)
  18. Westerkwartiers: 't is 't rad van oav'mtuur (=het is allemaal geluk)
  19. Bilzers: hae verrékde van de sjaos (=hij had geluk)
  20. Amsterdams: Hoerenchance gehad (=Stom geluk gehad)
  21. Lokers: ij is mee zei gat in de boter gevaulen (=een gelukkig iemand)
  22. Kortemarks: de wilde is e kwoa bièèste (=geld maakt niet gelukkig)
  23. Waregems: noo(g) sjanse dat ie... (=gelukkig maar dat hij...)
  24. Urkers: Vuul eil in zeegen in ut naie joar (=gelukkig nieuwjaar)
  25. Veurns: Je wit nooëit oe dat e koe een oaze vangt! (=Je weet nooit hoe je gelukt hebt!)
  26. Waregems: me zijn dre! (='t is ons gelukt!)
  27. Wetters: zijnen oirink broad nie (=het is hem niet gelukt)
  28. Oudenbosch: das krimmieneel mooi gedaon (=dat is erg goed gelukt)
  29. Venloos: de parade is door de kerkstraot (=de bevalling is gelukt)
  30. Diesters: malchans (=geen geluk)
  31. Antwerps: meuge beffe zonder baffe (=boffen (veel geluk hebben))
  32. Westerkwartiers: hij lopt op rooz'n (=het geluk achtervolgt hem)
  33. Gents: zijne tsoep aan en (=geen geluk hebben met iets)
  34. Lichtervelds: je mag zn twièè andn toîpeleggn (=hij mag van geluk spreken)
  35. Venloos: De stómste boere hebbe de diekste petatte (=Het geluk is met de dommen)
  36. Giesbaargs: in de zeevesten heemel (=gelukkig)
  37. Westerkwartiers: beter duur as niet te koop (=gelukkig is het nog verkrijgbaar)
  38. Gronings: veul zegen / veul haail en zegen in t nijjoar (=gelukkig nieuwjaar)
  39. Westerkwartiers: 't nij-joar oafwenn'n (=gelukkig nieuwjaar wensen)
  40. Mestreechs: d'n duuvel sjit op d'n groetste haop (=hij heeft altijd geluk)
  41. Tilburgs: de grotste boer heej de grotste èèrepel (=het geluk is met de dommen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: hae èste kieëneng te rijk (=hij is in opperste staat van geluk)
  43. Roermonds: Hou't dae mich op unne aos (=Zo! die heeft geluk.)
  44. Steins: Zalig Nuujoar !! (=gelukkig Nieuwjaar !!)
  45. Munsterbilzen - Minsters: hae wor èn de ziëveste hiemel (=de cipier vond de sleutels naar het geluk)
  46. Gents: ij es mee zijn gat in de boater gevallen, oersanse gat (=hij heeft geluk gehad)
  47. Hulsters (NL): onslieveneer is wir mee zain sloren (=heb ik eindelijk ook eens geluk)
  48. Munsterbilzen - Minsters: ver zin nog heil goed voertgekoeëme (=we hebben heel wat geluk gehad)
  49. Kortemarks: jis ter nie mee gediend (=hij is er niet gelukkig mee)
  50. Lebbeeks: vloeën: Opgezet zijn gelèk nen ont mé vloeën (=Niet erg gelukkig met iets zijn)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen