Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

26 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `brand`

  1. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  2. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  3. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  4. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  5. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  6. brandende kwestie (=een dringende, actuele zaak)
  7. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  8. dominee brand je bekje niet (=pas op! Het eten of de drank is heet!)
  9. Een kaars voor de duivel branden (=Bij iedereen slijmen)
  10. ergens op gebrand zijn (=iets heel erg fijn vinden en er naar streven)
  11. gauw aangebrand zijn (=gauw geïrrteerd zijn)
  12. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  13. het geld brandt hem in de zak (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit)
  14. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  15. iemand uit de brand helpen (=iemand uit de nood helpen)
  16. kijken of men water ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
  17. moord en brand schreeuwen (=uiterst verontwaardigd zijn)
  18. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  19. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  20. te veel vuur in een stoof doet ze branden (=te veel is schadelijk)
  21. uit de brand zijn (=geholpen zijn, problemen opgelost)
  22. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  23. wie zijn gat brandt, moet op de blaren zitten (=wie een risico neemt, moet de gevolgen dragen)
  24. zijn kaars aan twee kanten branden (=zijn krachten of mogelijkheden al te vroeg verspillen)
  25. zijn schepen achter zich verbranden (=obstinaat doorgaan, zodanig dat men niet meer terug kan)
  26. zijn vingers aan iets branden (=zich in iets vergissen, nadeel aan iets ondervinden)

8 betekenissen bevatten `brand`

  1. in de as leggen (=(doen) afbranden)
  2. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  3. een katje krijgen (=een uitbrander krijgen)
  4. in vuur en vlam staan (=erg opgewonden zijn / hevig branden)
  5. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  6. naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
  7. uit de as herrijzen (=opnieuw opbouwen na een brand)
  8. branden als een fakkel (=zeer fel branden)

Het dialectenwoordenboek kent 26 spreekwoorden met `brand`

  1. Tilburgs: nondejuuke meej sööker (=brandewijntje met suiker)
  2. Lopiks: de rooie haan derin (=een brandje stichten)
  3. Rotterdams: je hartharen branden (=Je mond branden)
  4. Munsterbilzen - Minsters: t vieër werm haate (=de liefde brandend houden)
  5. Poperings: die oede scheure stoat in brande (=die ouwe man is verliefd)
  6. Westerkwartiers: hij is brandholtjemoager (=hij is erg mager)
  7. Munsterbilzen - Minsters: opgeruimp steet sjaun, zaag de boer, èn hae brande zene rattestal plat (=met man en muis vergaan)
  8. Westerkwartiers: schreeuw'n as 'n moager swien (=moord en brand schreeuwen)
  9. Westerkwartiers: 't braand as 'n liere (=het brand goed)
  10. Oudenbosch: gij verbraant daore op oew ziel (=je branden aan heter dan gloeiendheet)
  11. Drents: Geef een vul gien haver en een kind gien brandewien (=Laat kinderen kind blijven, maak ze niet te wijs)
  12. Bilzers: wae mét viër spiëlt, zal dër vïër vergon (=mensen die hun vingers branden, kunnen gewoon niet met vuur omgaan)
  13. Zeeuws: ie is noh a houw an e brand (=iemand die vlug boos is)
  14. Helenaveens: De knaal stùt in de fik (=De berm van de Helenavaart staat in brand)
  15. Westfries: as der hier of deer maar un lampie brand (=relativerende opmerking)
  16. Flakkees: je leerd nooit een krepelen kenne voort gasthuus brand. (=je leerd geen kreupele kennen voor het ziekenhuis in brand staat)
  17. Zeeuws: an e brand en nohniehaar (=aangebrande aardppels)
  18. Rotterdams: Nog te lui om brand te roepen (=lui)
  19. Munsterbilzen - Minsters: daaj kos vieër kotse (=als 't hart in brand staat, vliegen de vonken uit de mond)
  20. Liemers: Hentum van Bentum draei-j den end um anders verbrentum (In kwazie latijn). (=Pastoorsmeid Hentje van Bentum was ook de koster en hadden eend in de pan die dreigde aan te branden onder de hoogmis de pastoor draaide zich om en zong:)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ze vier brand oppe leig pitsje (=de bakker ziet er geen brood meer in)
  22. Bilzers: As n aa sjier én brand slig, ester gee blësse mei on (=Hoe ouder hoe gekker !)
  23. Moes: `Wa nou gezong'n` zei de koster en de keir'k stont in brand. (=Wat kunnen we nu nog aanvangen?)
  24. Lochristis: ij ee lookerschen brand (=hij heeft zich niet gewassen/ hij is vuil)
  25. Munsterbilzen - Minsters: wa nau gezoenge,zaagte kèster en de kêrk stond èn brand (=hoe gaan we dat oplossen)
  26. Lebbeeks: schier: As en aa schier in brand schit, es ze moeilèk te bliss'n (=Als een ouder iemand verliefd wordt, gaat het niet vlug voorbij)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen