Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pijp`

  1. de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
  2. de pijp uitgaan (=sterven)
  3. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  4. een lelijke pijp roken (=zuur opbreken)
  5. een loden pijp hebben (=een hete vloeistof snel kunnen opdrinken)
  6. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden komen)
  7. ergens een lelijke pijp aan roken (=er veel schade van ondervinden)
  8. ergens een vuile pijp aan roken (=er veel nadeel van ondervinden)
  9. het regent pijpenstelen (=het regent heel hard)
  10. Het zit in de pijplijn (=er wordt aan gewerkt)
  11. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)

Het dialectenwoordenboek kent 28 spreekwoorden met `pijp`

  1. Westerkwartiers: 't reegn't dat 't schit (=het regent pijpestelen)
  2. Westels: et reigert aa waaven (=het regent pijpenstelen)
  3. Bevers: Tgo katte spougen (=Het gaat pijpenstelen regenen)
  4. Lanakens: ut rèigent aw wiever met kloompen aan (=het regent pijpestelen)
  5. Eernegems: t' zeijkt oede wuvn (=het regent pijpestelen)
  6. Grote Spouwers: het kladdert (=het regent pijpenstelen)
  7. Gouda: t regent zo hard als t vege ken (=t regent pijpestelen)
  8. West-Vlaams: de rin voalt lik schitte ut de lucht (=Het regent pijpestelen)
  9. Tilburgs: òn un pèèp lörreke (=een pijp roken)
  10. Ledegems, Kappels: trint dat sikt (=het regent pijpestelen)
  11. Evergems: Treënt molljong' ns (=Het regent pijpestelen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: ze hübbe de slauze wir oëpegezat (=het regent pijpestelen)
  13. Liwwadders: ut regent ouwe wieven en hânspaken (=het regent pijpestelen)
  14. Munsterbilzen - Minsters: noë iemed zen pijpe daase (=iemand gedwongen volgen)
  15. Mestreechs: 't regent awwiever (=Het regent pijpenstelen)
  16. Westels: et reigert klaan gaaten (kleine geiten) (=het regent pijpenstelen)
  17. Veurns: uut ze kot komm'n (=uit z'n pijp komen)
  18. Tilburgs: hè ston al vruug òn zun pèpke te lörreke (=hij stond al vroeg aan zijn pijpje te zuigen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: de jaoger daasde noë de pijpe van de bosgard (=de jager was gezocht wild voor de jachtopziener)
  20. Munsterbilzen - Minsters: zen pijp autkloppe (=doodgaan)
  21. Westerkwartiers: hij smookt 'n roare piep tebak (=roken - hij rookt een rare pijp tabak)
  22. Lembeeks: ij iet de pijp oen den ette gegeive (=gestorven)
  23. Graauws: daor gaoi nog een pijp van roken (=daar ga je problemen mee krijgen)
  24. kalkens: hee is de pijpe uit, hee zat uk nie meer voertvertellen, tes ook me em gepasseert, (=dood gaan)
  25. Waregems: 'k sta kik ier (1.) voor pijpe toebak, (2.) zonder verwèr (=ik sta voor schut)
  26. Munsterbilzen - Minsters: hae gifte pijp on Matte (=de tabaksverkoper is de sigaar)
  27. Munsterbilzen - Minsters: ze smore n hennege segaar (=voor de tabaksverkopers gaat de pijp uit)
  28. Sint-Niklaas: zèn pijp is veir uit; ès veir den ond gô voeieren (=hij zal niet lang meer leven)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen