Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gooien`

  1. de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
  2. de kont tegen de krib gooien (=weerspannig zijn)
  3. de troffel in de kalkbak gooien (=zijn beroep opgeven en van zijn rente gaan leven)
  4. dertien ogen gooien (=onmogelijk veel geluk hebben)
  5. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  6. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  7. een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
  8. een visje uitgooien (=proberen of ergens belangstelling voor bestaat)
  9. ergens een balletje over opgooien (=ergens voorzichtig over beginnen te praten om erachter te komen wat anderen ervan vinden)
  10. ergens met de pet naar gooien (=een taak bijzonder slordig uitvoeren)
  11. Geld in het water gooien (=Geld verspillen)
  12. geld over de balk gooien (of smijten) (=geld verspillen, zonder nadenken uitgeven)
  13. goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
  14. het kind met het badwater weggooien (=samen met het slechte ook het goede wegdoen)
  15. het op een akkoordje gooien (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  16. het over een andere boeg gooien (=het anders aanpakken)
  17. het roer omgooien (=het op een heel andere manier proberen)
  18. hoge ogen gooien (=een goede kans maken op iets)
  19. iemand iets voor de voeten gooien (=iemand met iets confronteren)
  20. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  21. je moet geen goed geld achter slecht geld aangooien (=je moet geen geld besteden aan een zaak die niet meer in stand kan worden gehouden)
  22. kruis of munt gooien (=ervoor loten)
  23. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  24. met de pet naar iets gooien (=niet echt moeite voor iets doen, zonder inzicht schatten)
  25. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  26. naar het hoofd gooien/slingeren (=scherpe verwijten maken)
  27. olie in/op het vuur gooien (=iets doen waardoor de ruzie opnieuw begint of oplaait)
  28. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
  29. over de balk gooien (=onnodig geld uitgeven voor zaken die niet nodig zijn)
  30. roet in het eten gooien (=de pret bederven of een plan laten mislukken)
  31. te grabbel gooien (=zomaar weggooien, opofferen)
  32. tegen iets aangooien (=aan iets besteden)
  33. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
  34. zijn eigen glazen ingooien (=het voor zichzelf bederven)

Eén betekenis bevat `gooien`

  1. te grabbel gooien (=zomaar weggooien, opofferen)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met `gooien`

  1. Diesters: me gelt smijte (=geld over de balk gooien)
  2. Sint-Niklaas: overhoop smijten (=door elkaar gooien)
  3. Brabants: iemand duruit bossen (=iemand eruit gooien)
  4. Rotterdams: In 't majum sodemieteren. (=In het water gooien)
  5. Bilzers: én grijzlemente goeje (=aan diggelen gooien)
  6. Bilzers: zou gaeve ze de kiëneng zen haase ook (=geven, niet gooien !)
  7. Westerkwartiers: 'k zal dij d'r uut benzeln (=ik zal jou eruit gooien)
  8. Munsterbilzen - Minsters: zau smijte ze de kiëning zen haase ook (=geven en niet gooien !)
  9. Westfries: achter de boet gooien (=weggooien)
  10. Zeeuws: held deur de billen lappn (=geld over de balk gooien)
  11. Munsterbilzen - Minsters: e koet énzen hand hübbe (=zijn geld over de balk gooien)
  12. Volendams: zéive koppies koffie in de zai gooie (=zeven kopjes koffie in de zee gooien)
  13. Tilburgs: die kunde over oe schouwers gooien en terug schuppen (=hangtieten)
  14. westlands: effe ut lucht dicht gooien (=ramen dicht doen)
  15. Westerkwartiers: dat maag 'em de pret niet drukk'n (=dat zal geen roet in het eten gooien)
  16. Mestreechs: mèt twie dobbelstein dertien oage goeje (=met twee dobbelstenen dertien ogen gooien)
  17. Volendams: eh jzulle erh nei met steen (=zeven kopjes koffie in de zee gooien)
  18. Brussels: Den dag da ze mé maain biene no de notches zulle smaaite (=De dag dat ze met mijn benen naar de nootjes zullen gooien)
  19. Harlingers: must dien vreet houwe, sik die in de sûderhaven dondere (=je moet je stil houden, zal ik je in de zuiderhaven gooien)
  20. Tilburgs: zis dik vant sund (=ze is dik omdat ze het zonde vindt iets eetbaars weg te gooien.)
  21. Huizers: Spek in 't hongdenest gooien (=Paarlen voor de zwijnen werpen)
  22. Diems: met 'n metwos noar 'n zi'jen spek gooien (=met iets kleins wat groters proberen te bemachtigen)
  23. Gronings: Mit 'n metworst noar'n ziede spek gooien (=Men gooit een spiering uit om een kabeljauw te vangen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen