Spreekwoorden met `JES`

Zoek


88 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `JES`

  1. aan alle kapelletJES aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  2. aan de touwtJES trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  3. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpJES niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  4. achter de gordijntJES smullen (=in stilte opeten)
  5. alle beetJES helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  6. alle heilige huisJES aandoen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  7. alle vrachtJES helpen (=veel kleintjes maken een grote)
  8. als sardientJES in een blik (=stijf boven op elkaar; dicht opeen)
  9. als warme broodJES over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  10. bij gebrek aan brood eet men korstJES van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  11. bij gebrek aan brood eet men korstJES van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  12. bij kleine hapJES leert men een hond eten. (=geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  13. bij kleine lapJES leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  14. bij nacht zijn alle katJES grauw en alle mondJES even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  15. binnen de lijntJES kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
  16. boontJES uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
  17. de bloemetJES buiten zetten (=uitbundig vieren)
  18. de bordJES zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  19. de eigen boontJES doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  20. de eindJES (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z`n inkomen))
  21. de engeltJES schudden hun bed op / kussens uit (=het sneeuwt)
  22. de engeltJES schudden hun kussens uit (=het sneeuwt)
  23. de kantJES er van aflopen (=zijn best niet doen)
  24. de kastanJES voor iemand uit het vuur halen (=voor iemand anders het gevaarlijke werk of een lastig klusje doen)
  25. de kleintJES vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  26. de laatste loodJES wegen het zwaarst (=het afwerken is vaak het lastigst)
  27. de peentJES opscheppen (=de boel opruimen)
  28. de puntJES op de i zetten (=de details erbij zetten - orde op zaken stellen)
  29. de scherpe kantJES er van afhalen. (=iets verzachten of minder extreem maken)
  30. de touwtJES in handen hebben (=de controle hebben over een situatie.)
  31. de visJES gaan voeren (=zeeziek zijn en overgeven)
  32. een kat komt altijd op z`n pootJES terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  33. een onzevader bidden in alle kapelletJES (=in alle cafés langsgaan)
  34. eerst oompje en dan oompJES kinderen (=eerst ik, daarna de anderen)
  35. er geen doekJES om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
  36. er warmpJES bijzitten (=veel geld hebben, over ruime financiële middelen beschikken)
  37. er zijn meer hondJES die Fikkie heten (=er zijn meer mensen/etc. met dezelfde naam)
  38. gauw op de teentJES getrapt zijn (=erg gauw boos en beledigd zijn)
  39. geen twee deuntJES voor één cent zingen (=geen zin hebben hetzelfde nog een keer te herhalen)
  40. halfJES en motregen dringen door. (=ook van kleine beetjes wordt je dronken)
  41. het dunnetJES overdoen (=het nog een keertje op dezelfde manier herdoen)
  42. het is dief en diefJESmaat (=het is allemaal even erg)
  43. het loopt op rolletJES (=alles gaat als vanzelf)
  44. huisJES melken (=kleine huizen duur verhuren)
  45. iemand naar de barbiesJES wensen (=iemand verwensen)
  46. in de kleinste potJES zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  47. in zijn nopJES zijn (=erg blij ergens mee zijn)
  48. je boontJES op iets te week leggen (=stellig op iets rekenen)
  49. je kan niet alle meisJES haten om één (=als je bent getrouwd wilt dat niet zeggen dat vrouwen je niet meer interesseren)
  50. je koetJES op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)

41 betekenissen bevatten `JES`

  1. alle baat helpt zei de schipper, en hij blies in het zeil (=alle beetJES helpen)
  2. een oortje gespaard is een oortje gewonnen. (=alle beetJES helpen als je spaart.)
  3. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusJES opknappen)
  4. de beste paarden staan op stal. (=de leukste meisJES gaan niet uit)
  5. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisJES met bloemen te kussen)
  6. je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=een getrouwde man mag wel met knappe meisJES flirten, daar moet het bij blijven.)
  7. brave hendrik (=een persoon die op overdreven wijze de regeltJES volgt)
  8. elkaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltJES bezorgen)
  9. de vijl erover laten gaan (=er de scherpe kantJES van afhalen)
  10. met de nachtschuit vertrekken (=er erg stilletJES vandoor gaan)
  11. `m piepen (=er stilletJES vandoor gaan)
  12. de draak met iets steken (=ergens niets van geloven en er grapJES over maken)
  13. op en top (=helemaal, tot in de puntJES)
  14. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtJES zeggen, heimelijk laten weten)
  15. iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatJES foppen)
  16. een voetveeg zijn (=iemand zijn die voor minderwaardige klusJES gebruikt wordt)
  17. helse steen (=in staafJES gegoten zilvernitraat)
  18. het heertje zijn (=in zijn nopJES zijn)
  19. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopJES)
  20. om door een ringetje te halen (=keurig netJES)
  21. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardJES) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  22. een snor aan hebben (=lichtJES dronken zijn)
  23. kleine houwen vellen grote eiken. (=met veel kleine beetJES kun je veel bereiken)
  24. binnen de lijntjes kleuren (=netJES handelen, niets doen wat niet mag)
  25. tussen servet en tafellaken zijn (=niet bij de kleintJES maar ook niet bij de groten horen)
  26. een dag is nooit zo nat of de zon schijnt altijd wat (=ook bij nare situaties zijn er lichtpuntJES)
  27. halfjes en motregen dringen door. (=ook van kleine beetJES wordt je dronken)
  28. een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesJES verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  29. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantJES hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  30. op kousenvoeten (=stilletJES, ongemerkt)
  31. klein gewin brengt rijkdom in. (=van kleine beetJES komt ook welvaart)
  32. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfJES in een stok te snijden))
  33. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitJES moeten doen)
  34. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukJES leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  35. alle vrachtjes helpen (=veel kleintJES maken een grote)
  36. het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletJES)
  37. scheepjes met zuren appelen (=wolkJES die regen of storm voorspellen)
  38. in het oor fluisteren (=zachtJES (heimelijk) zeggen)
  39. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetJES kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  40. ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetJES kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))
  41. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randJES onder vingernagels hebben)

13 dialectgezegden bevatten `JES`

  1. ie JES tend'n, z'n leer es of (=hij is aan 't einde van zijn krachten) (Waregems)
  2. ie JES vlamm'nde / vroet van klèire (=hij is zeer boos) (Waregems)
  3. Jès aol zwoa rike of de zjéé diepe ê (=geld veel) (Kortrijks)
  4. JES giene schip téén zijn kluutn werd (=nergens goed voor zijn) (Knesselaars)
  5. JES goan vliegn (=hij is ontsnapt) (Knesselaars)
  6. JES goan zantn (=hij is weggelopen) (Knesselaars)
  7. JES ip dreve (=hij is in form) (Kortrijks)
  8. JES me zien hoar (=Hij is overleden) (Roeselaars)
  9. JES mee zijn gat in de botere gevalnn (=ergens goed terechtgekomen zijn) (Knesselaars)
  10. JES murwe (=hij zit erdoor) (Deinzes)
  11. JES nie in de mis gekipt (=het is geen dommerik) (Ouwegems)
  12. Jès were den ul van ' t spel (=Hij is weer de dupe) (West-Vlaams)
  13. Jis ol zo skjif of ne zikkle / JES mullepettat (=Dronken zijn) (Izegems)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen