Spreekwoorden met `ad`

Zoek


220 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ad`

  1. je uit de naad lopen (=veel lopen , zijn uiterste best doen)
  2. je uit de naad werken (=veel werken, zijn uiterste best doen)
  3. kattenkwaad uithalen (=kwajongensstreken)
  4. kies het minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  5. komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  6. kwaad bloed zetten (=iemand boos maken)
  7. kwaad gezelschap doet dolen. (=vermijdt omgang met mensen die een negatieve invloed op je leven kunnen hebben)
  8. kwade gezelschappen bederven goede zeden. (=slechte eigenschappen overnemen van slechte vrienden)
  9. meer laden dan men dragen kan (=te veel hooi op zijn vork nemen)
  10. met alle zonden van Israël beladen worden (=voor alles de schuld krijgen)
  11. met de adamsvorken eten. (=met de vingers eten.)
  12. met hem is het kwaad kersen eten. (=het is beter hem te mijden.)
  13. met hoge heren is het kwaad kersen eten (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet altijd voordeel verwachten)
  14. met ongebroken lading wegzeilen (=zich zonder gezichtsverlies uit de situatie redden)
  15. niet aan het juiste adres zijn (=iets aan de verkeerde persoon vragen)
  16. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
  17. op een gladde baan/weg zijn (=zijn ondergang tegemoet gaan)
  18. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  19. op je baadje krijgen (=een pak slagen krijgen)
  20. op zwart zaad zitten (=geen geld hebben)
  21. overdaad schaadt (=te veel van iets is schadelijk)
  22. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  23. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  24. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)
  25. rozen op het pad strooien. (=iets veraangenamen.)
  26. ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  27. snotterige veulens worden de gladste paarden. (=kwajongens die nergens voor lijken te deugen, worden vaak flinke mannen)
  28. stad en land aflopen. (=geen moeite sparen om iets te bereiken)
  29. stevig in het zadel zitten (=machtig zijn, een belangrijke positie hebben)
  30. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk handelend)
  31. tegen de draad ingaan (=het er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan)
  32. tegen de stroom is het kwaad roeien / zwemmen (=tegen algemene opvattingen kan men zich moeilijk verzetten)
  33. terminus ad quem (=eindpunt van de tijdsberekening) (Latijn)
  34. tijd brengt raad. (=geduldig zijn leidt tot betere beslissingen of oplossingen)
  35. tot op de draad versleten (=helemaal versleten)
  36. tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren (=praktische belemmeringen weerhouden ons van het realiseren van onze plannen.)
  37. uit het zadel lichten (=zijn rang of stand of betrekking doen verliezen)
  38. uit het zadel wippen. (=ontslaan of uit een functie zetten)
  39. van de dertig penningen niet gehad hebben (=niet al te slim zijn)
  40. van de naald tot de draad (=tot in het kleinste detail)
  41. van de prins geen kwaad weten (=uiterst argeloos zijn)
  42. van geld voorzien zijn als een pad van veren (=arm zijn)
  43. van het padje af zijn (=in de war zijn, malende / prettig gestoord zijn)
  44. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  45. van naald tot draad (=tot in het kleinste detail)
  46. van twee kwaden de beste kiezen (=uit twee onaangename dingen de minst slechtste kiezen)
  47. vast in het zadel zitten (=zeker van iemands positie zijn in een organisatie)
  48. vergeld geen kwaad met kwaad (=wraak nemen is niet goed)
  49. verrijzen als paddenstoelen na een regenachtige dag (=plots tevoorschijn komen)
  50. vijgenbladen zoeken (=nietige uitvluchten zoeken)

181 betekenissen bevatten `ad`

  1. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  2. van de gaffel in de greep (=van kwaad tot erger)
  3. voor galg en rad opgroeien (=vanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt)
  4. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  5. over heel veel schijven gaan (=veel hiërarchische of administratieve niveaus moeten zich ermee bemoeien)
  6. geen pap meer kunnen zeggen (=verzadigd zijn)
  7. allemans raad is allemans zot. (=volg niet blindelings het advies van iedereen)
  8. kan uit Nazareth iets goeds komen? (=wanneer iemand een bepaalde opvoeding heeft gehad kan daar niks goeds van verwacht worden)
  9. in nood leert men zijn vrienden kennen (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen)
  10. als de ene blinde de ander leidt vallen ze beiden in de gracht (=wanneer onbekwamen andere onbekwamen adviseren gaat het fout)
  11. de een z`n dood is een ander z`n brood (=wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van)
  12. gegeven brokken zijn gauw gegeten. (=weldadigheid gaat meestal niet ver.)
  13. wie de naam heeft, krijgt de daad (=wie bekend staat als misdadiger, krijgt de schuld)
  14. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  15. het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  16. het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  17. wie wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  18. wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
  19. een Poolse landdag (=wilde, ongeregelde vergadering)
  20. woorden zijn dwergen, daden zijn bergen (=woorden doen weinig, daden maken het verschil)
  21. oog om oog en tand om tand (=wraak nemen voor onrecht dat je is aangedaan, door de dader precies hetzelfde aan te doen)
  22. de ene kraai pikt de andere de ogen niet uit (=ze benadelen elkaar niet)
  23. uit zijn vel springen (=zeer kwaad zijn)
  24. ook de beste boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  25. je vingers aan iets branden (=zich in iets vergissen, nadeel aan iets ondervinden)
  26. god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
  27. je eigen nest bevuilen (=zijn eigen omgeving nadeel berokkenen)
  28. binnen de perken blijven (=zodanig beperkt blijven dat het niet te veel overlast of schade veroorzaakt)
  29. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er `n ongeluk van komt)
  30. als een kip zonder kop (=zonder beraad, onbesuisd)
  31. geen kip meer kunnen zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen