Spreekwoorden met `kunnen`

Zoek


104 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kunnen`

  1. we kunnen niet allen paus van Rome zijn (=niet iedereen kan de baas zijn)
  2. wel onder zijn zolen kunnen schrijven (=wel mogen vergeten)
  3. wel thuis kunnen blijven (=het wel kunnen vergeten)
  4. zwemmen als een vis kunnen (=een expert zijn in zwemmen)

189 betekenissen bevatten `kunnen`

  1. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met woorden kunnen zeggen)
  2. tekortschieten (=iets onvoldoende hebben of kunnen doen)
  3. je oren niet geloven (=iets wat gezegd wordt, niet kunnen geloven)
  4. iets op je buik kunnen schrijven (=iets wel kunnen vergeten, dat wat je wilde gaat niet door)
  5. een kat komt altijd op z`n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  6. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  7. een schop van een ezel kunnen verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  8. wat hansje niet leert zal hans nooit weten (=je moet het eerst leren om het later te kunnen)
  9. een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  10. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  11. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  12. kunnen behappen (=kunnen begrijpen)
  13. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  14. overweg kunnen (=kunnen verdragen, aankunnen)
  15. tegemoet zien (=kunnen verwachten)
  16. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  17. meer pijlen op zijn boog hebben (=meer kunnen dan reeds laten zien)
  18. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  19. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  20. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  21. wie staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  22. lachende monden, bijtende honden. (=mensen die vriendelijk of aardig lijken, kunnen in werkelijkheid kwade bedoelingen hebben)
  23. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  24. een boer met kiespijn lacht niet (=mensen met pijn kunnen moeilijker ontspannen)
  25. waar het warm is, is het goed vrijen. (=mensen uit een rijke familie kunnen makkelijker een partner krijgen)
  26. een fluwelen tong hebben (=met gladde woorden mensen kunnen overtuigen)
  27. op twee gedachten hinkelen/hinken (=moeilijk kunnen beslissen)
  28. het staal wordt in de wind gehard. (=moeilijkheden en tegenslagen kunnen je sterker maken)
  29. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  30. tekortkomen (=niet genoeg (kunnen) doen)
  31. het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
  32. liever van achteren zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
  33. het met zich zelf niet eens zijn (=niet kunnen beslissen)
  34. niet kunnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
  35. niets kunnen binnenkrijgen (=niet kunnen eten)
  36. de kriebel in zijn gat hebben (=niet kunnen stilzitten)
  37. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  38. niet halen bij (=niet kunnen tippen aan)
  39. niet meer kunnen wegdenken (=niet meer kunnen missen)
  40. niet met iemand door één deur kunnen (=niet met iemand kunnen samenwerken (door verschillen in persoonlijkheid.))
  41. voor de mast zitten (=niet opkunnen wat men op zijn bord heeft)
  42. niet van het ene brood tot het andere weten te geraken (=niet rond kunnen komen)
  43. je aardappelen op hebben (=niet verder meer kunnen)
  44. het licht in de ogen niet gunnen (=niets gunnen, er niets van kunnen verdragen)
  45. nog niet op eigen benen kunnen staan (=nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden)
  46. een stok vinden om de hond te slaan (=om maar iemand te kunnen bekritiseren een nadelig punt vinden)
  47. verkeren kunnen (=omstandigheden kunnen snel veranderen)
  48. plak en gard ontwassen zijn (=ook zonder begeleiding wel kunnen leven)
  49. oude bokken hebben stijve horens (=oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen)
  50. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)

50 dialectgezegden bevatten `kunnen`

  1. dor èk gene pak op (=iets niet kunnen vatten, begrijpen) (Sint-Niklaas)
  2. e bitsje zot doen kan nog altijd gee kaud (=op tijd en stond moet je je kunnen ontspannen) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. e kermesse is e geeselienge wêird (=als je uitgaat moet je uit je bed kunnen) (Lichtervelds)
  4. e muule van lintjes ' èn: goed van de tongriem gesneden zijn, de hele wereld kunnen ompraten (=een muil van lintjes hebben) (Klemskerks)
  5. e pèerd zèene rug uiteten (=geweldig veel kunnen eten) (Wichels)
  6. e vat steken (=een kraan in een biervat steken om te kunnen tappen) (Sint-Niklaas)
  7. ederen daâg sterzaat és ouch e geregeldj laeve (=ook verkeerde gewoontes kunnen inburgeren) (Weerts)
  8. een breeën rik èn (=veel aan kunnen) (Veurns)
  9. een marbel in ze gat èn (=niet kunnen stilzitten) (Veurns)
  10. een sent ès geld en e spier stroj ès mès (=ook kleine dingen kunnen belangrijk zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. een smeette van weg hen (=ergens op lijken, begrijpen, of iets kunnen) (Sint-Laureins)
  12. een toeng (pen) ès sjerper dan e mes (=uitspraken kunnen meer pijn doen dan wapens) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. een tonge van lijntses, goe keune klappe (=goed kunnen uitleggen, babbelen) (Gents)
  14. een too van lijntsjes (=goed kunnen uitleggen) (Kaprijks)
  15. En de poembak, de poembak, de poembak is kapot, en ... (=We kunnen het niet langer aan) (Antwerps)
  16. ën vroo konste pas smieë at ze heet ès (=je moet altijd het goede ogenblik kunnen afwachten) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. er juust ôn uit kunnen (=iets verkopen zonder winst of verlies) (Sint-Niklaas)
  18. Er niets meer aan kunnen verhapstukke (=Er niets meer aan kunnen doen) (Rotterdams)
  19. ët nog e tijdsje konne autzinge (=nog even kunnen volhouden) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. eurst deur d n keurdo-ns eene motte (=eerst verwerken om verder te kunnen) (Oudenbosch)
  21. Ge het de kónt nog nie gedreid of ze zien al an de geng (=Ze kunnen niet wachten om te beginnen) (Wells)
  22. Ge keud ier allemoal mijne zak opbloazen (=Jullie kunnen mijn zak opblazen (ik doe niet meer mee) ) (Lokers)
  23. ge kuint 'r ne puint an zooin (=je zult het niet beter kunnen (niet overtreffen) (uitdagend gezegd) ) (Waregems)
  24. Ge kunt niet luien en in de processie goan (=geen 2 dingen tergelijk kunnen doen) (Hoogstraats)
  25. ge moe van iezre en staol zyn (=ge moet veel kunnen verdragen) (kortemarks)
  26. gedaan hémmə mee lootə / nənei gədaan mee lootə (=niet meer verder kunnen (fysiek) / hij is óp) (Kalforts)
  27. gee zittend gat ein (=niet lang op zelfde plaats of stil kunnen zitten) (Sint-Niklaas)
  28. geen oog kunnen dichtdoen (=niet kunnen slapen) (Sint-Niklaas)
  29. geen zittende K...hëbbe (=niet kunnen stilzitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. geinen aârd hebbe (=niet kunnen wennen) (Weerts)
  31. Gén gekke sprung kunne maken (=Geen bokkesprongen kunnen veroorloven) (Genneps)
  32. gepeist: Wouij ouij da na gepeist (=Wie had dat nu kunnen denken) (Lebbeeks)
  33. getraat: Zoeë zijmen ni getraat (=Zo kunnen we niet akkoord gaan) (Lebbeeks)
  34. Gikker dorp Hat zien ege dialect de wöad kunne Andesj zieë, mè went vur ze good sjrieve kinne ver 't allemaal laeze. (WT) (=Ieder dorp heeft zijn eigen dialect. de woorden kunnen anders zijn, maar als je ze goed schrijft kunnen wij het allemaal lezen.) (Mechels (NL))
  35. gin zitt' nde gat èn (=niet kunnen stilzitten) (Veurns)
  36. gin zittend gat hen (=niet kunnen stilziten) (Veurns)
  37. goe overiën komn mee mallekoar (=goed kunnen opschieten met elkaar) (Kaprijks)
  38. goe van den tongriem gesneen (=goed kunnen uitleggen) (Kaprijks)
  39. goeëd overieënkommen (=het goed met elkaar kunnen vinden) (Wichels)
  40. hae heirde nie goed watter zaag (=de lamme stond erop om te kunnen zitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. hajje peptan (=zou u dit kunnen motiveren) (Deventers)
  42. Het ins kennen worre (=Het eens kunnen worden) (Valkenswaards)
  43. Het mot êêst warre wil 't rêêje (=Het moet eerst een rommel zijn wil het netjes kunnen worden) (Sliedrechts)
  44. Het un bietje mee mekaor kenne veine (=Het een beetje met elkaar kunnen vinden) (Valkenswaards)
  45. hij meent dat doar gold te groav'm is (=hij denkt daar rijk te kunnen worden) (Westerkwartiers)
  46. hij zit op ne wier (=moeilijk kunnen beslissen) (Rous (Sint-Genesius-Rode))
  47. hoeveul zo dè kòsse nou dè kos goed un tientje zèèn. (=hoeveel zou dat kosten nou dat zou best eens een tientje kunnen zijn.) (Tilburgs)
  48. Ich hââ mich koêne verduume (=Ik had me kunnen verwensen) (Walshoutems)
  49. ich moet nog al reeke vër traoën te konne (=ik moet mijn armen ver uitrekken om er aan te kunnen) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. ich zoo konnë brullë aut piere sjangëring (=ik zou kunnen wenen uit pure boosheid) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen