Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


56 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tijd`

  1. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  2. Altijd brood eten verdriet ook. (=Een mens wil ook eens een verzetje.)
  3. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  4. altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  5. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  6. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  7. altijd op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  8. beidt Uw tijd, duur Uw uur (=op de toren van de Amsterdamse koopmansbeurs)
  9. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  10. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  11. dat komt als mosterd na de maaltijd (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
  12. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  13. de tijd aan zich hebben (=weinig of niets te doen hebben)
  14. de tijd baart rozen (=ook de diepste (geestelijke) wonden helen na verloop van tijd)
  15. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  16. de tijd heelt alle wonden (=na lange tijd zal de pijn vanzelf over gaan)
  17. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  18. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  19. de tijd zal het leren (=na verloop van tijd is er bekend hoe het gegaan is)
  20. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  21. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
  22. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  23. eenmaal gestolen altijd een dief (=een verkeerde daad wordt niet vlug vergeten)
  24. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  25. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  26. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  27. gezelligheid kent geen tijd (=als het gezellig is, is het niet erg als het wat later wordt)
  28. goed bij de tijd zijn (=snugger)
  29. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  30. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  31. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  32. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  33. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  34. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  35. het lot valt altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  36. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  37. het water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  38. in een mum van tijd (=in heel korte tijd)
  39. in geen tijden (=in lange tijd)
  40. in lengte van tijd (=voor eeuwig)
  41. komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  42. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  43. met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak)
  44. mettertijd komt Hannes in het wammes (=met veel geduld lukt het wel)
  45. mosterd na de maaltijd (=een oplossing die te laat komt)
  46. niet geschoten is altijd mis (=als je het niet probeert, komt er ook niks van)
  47. op tijd en stond (=ten gepasten tijde, af en toe)
  48. tand des tijds (=de sleet door de ouderdom)
  49. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  50. tijd is geld (=zaken zo snel mogelijk voor elkaar krijgen is het goedkoopste)

167 betekenissen bevatten `tijd`

  1. in de ijskast zetten (=(tijdelijk) niet uitvoeren)
  2. op jaren komen (=al een zekere leeftijd bereiken)
  3. jaar en dag (=al heel lange tijd)
  4. al lang en breed (=al lange tijd)
  5. sinds jaar en dag (=al lange tijd)
  6. sinds mensenheugenis (=al lange tijd)
  7. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  8. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
  9. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  10. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  11. komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  12. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  13. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  14. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  15. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  16. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  17. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  18. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  19. op de kloosters reizen (=altijd bij vrienden of kennissen logeren)
  20. recht door zee gaan (=altijd eerlijk blijven/zijn)
  21. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  22. semper virens (=altijd groen)
  23. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  24. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  25. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  26. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  27. van leugens aaneenhangen (=altijd maar liegen)
  28. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  29. die veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  30. op zijn stokpaard rijden (=altijd over hetzelfde praten of klagen)
  31. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  32. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  33. semper idem (=altijd weer hetzelfde)
  34. strijk en zet (=altijd weer opnieuw)
  35. niets dan wonden en builen zoeken (=altijd willen vechten)
  36. niet in een goed vel steken (=altijd ziek zijn, nooit gezond)
  37. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  38. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  39. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  40. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  41. twee ruilen een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  42. Wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=Blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  43. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  44. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  45. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  46. tussen mal en dwaas zijn (=de bakvisleeftijd hebben)
  47. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  48. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  49. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  50. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)

Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `tijd`

  1. Waregems: an tijds (=stipt op tijd)
  2. Ninoofs: in tasj (=tijdig)
  3. Antwerps: 'kem moar twie polle (=ik zit in tijdstekort)
  4. Oudenbosch: mee passe en mete wor veul tijd verslete (=dat is een tijdrovend werk)
  5. Erps: op nen nik en nen tik (=in een korte tijdsspanne)
  6. Westerkwartiers: bie nacht en ontied (=op de onmogelijkste tijdstippen)
  7. Munsterbilzen - Minsters: op tijd zen vasse lichte (=bij tijds er van doorgaan)
  8. Liemers: Eeuwige trouw duur nooit langer dan één minselaeve. Daor kom'ie altied zwaor tied aan tekort van't ow toen belaofde. (=tijdsbegrippen in eeuwen.)
  9. Waregems: van tsnoens tot t'n twolvn (=van zeer korte tijdsduur)
  10. Munsterbilzen - Minsters: dae ès al e tijdsje iëver zen toere (=hij is al lang overspannen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: n poeës gelieje (='n tijdje geleden)
  12. Rotterdams: Izzal op ze ouwe gewig (=Is al een tijdje dood)
  13. Munsterbilzen - Minsters: doë moet ich mich e tijdsje vër kroemp lègge (=daar moet ik een poosje voor werken)
  14. Tilburgs: ge mot ut intèts laote weete (=je moet het tijdig laten weten)
  15. Nunspeets: A-j 's avens vissen willen, mu-j 's mannens de netten dreugen (=tijdig je regelingen treffen)
  16. Tilburgs: ze waar al un tèdje in peziesie (=ze was al een tijdje in verwachting)
  17. Chattaal: BRB (=be right back) (=Ik ben voor een tijdje weg.)
  18. Munsterbilzen - Minsters: t lang autzinge (='t een tijdje kunnen uithouden)
  19. Dilbeeks: zaan peire zeen (=harde tijden doormaken, lijden)
  20. Sint-Niklaas: de joare stillekes (=lang vervlogen tijden)
  21. Westerkwartiers: dat waar'n troop'm joar'n (=dat waren zeer zware tijden)
  22. Bilzers: daai hét viël naute op herre zank (=dat duurt een tijdje met haar)
  23. Bilzers: tot énde proemmetijd, ziëker ? (=nu gaan we u een tijdje niet meer zien, zeker ?)
  24. Westlands: dat ware nog us barre taie (=dat waren leuke tijden)
  25. Munsterbilzen - Minsters: doë zal nog viël wotter dür den Demer moete gon (=dat zal nog een tijdje duren)
  26. Lokers: oe langer dak getrout zijn, hoe liever dak mijne ond zie (=iemand die al een tijdje gehuwd is)
  27. Oudenbosch: ijis al un tijdje over z n toere (=hij is overspannen)
  28. Tilburgs: vruuger han jong snòtneuze, naaw hèbbe snòtneuze jong. (=de tijden zijn veranderd !)
  29. Kinrooi: In tieje van noeëd aete wae woost sónger broeëd! (=In tijden van nood eten wij worst zonder brood!)
  30. Gents: Oazek eu zegge: vuilbak of scheel uupe, tons willek eu uure (=Ik zou graag hebben dat je nu toch een tijdje stil bent.)
  31. Nevels: te binst meirlantei (=ondertussen (tijdens))
  32. Munsterbilzen - Minsters: de werd és één graute kërmes en doë mauste e tijdsje plezier maoke (=de wereld is een schouwtoneel, elk krijgt een rol en speelt zen deel)
  33. Geluws: stief lange (=lange tijd)
  34. Opwijks: A kloëtn scuren (=tijd verspillen)
  35. Munsterbilzen - Minsters: trenieëre (=tijd winnen)
  36. Opglabbeeks: imposant (=ter zelfdee tijd)
  37. Valkenswaards: Wor blèft d'n tijd (=Waar blijft de tijd)
  38. Oudenbosch: ijee z ne tijd gat (=zijn tijd is voorbij)
  39. Munsterbilzen - Minsters: de tijd begint te kotte (=nog korte tijd te gaan)
  40. Brakels: zuust intijds (=net op tijd)
  41. Munsterbilzen - Minsters: dat frit gee braud (=ik heb tijd zat)
  42. Bilzers: t wotter steed em tot on zen kin (=hoog tijd)
  43. Sallands: Ku'j wach'n (=heb je tijd)
  44. Gronings: Kist wachtn (=Heb je tijd)
  45. West-vlaams: tis tied dathuut is (=tijd dat 't gedaan is)
  46. Bilzers: Kakke geet vér bakke (=Alles op zijn tijd)
  47. Genneps: De slaop uuthèbbe (=Bij de tijd zijn)
  48. Diesters: tes hoeweg taat (=het is hoog tijd)
  49. Westlands: je taid an ut verschaituh (=je tijd verdoen)
  50. Lichtervelds: jeet gat ofgeneepn (=hij was nog net op tijd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen